Ruimtemissie

Dat het de sympathieke maar gestoorde bovenbuurman was die zichzelf had buitengesloten en daarom een vriend opjutte om zijn voordeur in te trappen, dat zou allemaal pas veel later duidelijk worden. Op dat moment zat ik nog in de raket.

‘O, wat heb ik hier geen zin in zeg, o, wat heb ik hier geen zin in,’ bleef ik maar herhalen in mijn hoofd terwijl het ding steeds harder trilde, klaar om de aardbodem te verlaten. Een leven lang had ik weten te vermijden dat ik de ruimte ingeschoten zou worden, maar nu ging het er dan toch van komen.
Het moest nu eenmaal, dat stond vast, vanwege een bijzonder belangrijke reden die ik even niet meer paraat had. Ik had me neer te leggen bij mijn lot, maar wat baalde ik hiervan zeg. Het heelal, wat had ik er te zoeken? Er was toch weinig wat verder van me af kon staan dan die onmetelijke duisternis.

‘Kas, wordt wakker, wordt wakker.’
N staarde met grote ogen naar het plafond, dat elk moment naar beneden leek te kunnen komen. Even later stonden we in onze pyjama’s op onze gang, te luisteren naar dronken commando’s.
‘Hij zegt toch niet ‘trap ‘m dood?’’ vroeg ik met een stem die afkomstig leek van een andere planeet.
‘Nee schat, ‘trap hem door.’ Dat is duidelijk Bennie. Ik denk dat het z’n deur is die eraan geloven moet.’
‘Kom op Karel, het is je moedertje niet!’ hoorden we Bennie bulderen.
‘Wel verstandig dat hij die Karel laat helpen,’ fluisterde N, ‘Ben heeft het aan z’n rug, daar moet-ie echt mee oppassen.’

N kent de medische klachten van iedereen uit het trappenhuis. Ik hou het altijd bij ‘goedendag’ en ‘tot ziens’ als ik mijn buren passeer, als ik in een uitmuntende bui verkeer wil ik daar nog wel eens wat over het weer aan toevoegen. Mijn geliefde heeft de wonderlijke gave om met iedereen altijd een geïnteresseerd praatje te maken. En mensen zijn dat zo weinig gewend in onze anonieme stad, dat ze zich vervolgens als haviken op haar storten met het uitstorten van hun gehele ziel en zaligheid.

‘Ja, reuze sympathiek van Kareltje’, fluisterde ik terwijl het gebeuk zowel in volume als in tempo verder toenam. ‘Maar waarom belt hij niet gewoon een slotenmaker?’
‘Lief, let jij ooit wel eens op als ik je iets vertel? Je wéét toch dat Bennie te kampen heeft met chronische telefoonangst?’
Daarop klonk de finale beuk, gevolgd door een bevrijdend gekraak.
Aan het piepende gehijg te horen was Kareltje ook niet de jongste of de fitste.
Home sweet home,’ sprak Bennie triomfantelijk.

Even later lagen wij weer in bed, klaarblijkelijk klaarwakker te baden in de stilte.
Het was bijna half vier, over iets meer dan twee uur zou mijn wekker gaan. Ik wachtte op de stress die deze constatering met zich mee moest brengen, maar in plaats daarvan voelde ik een voorzichtige opluchting zich meester van mij maken.
Op teveel mocht ik nog niet hopen, het was ook allemaal zo verwarrend geweest met die stemmen en die deur. Het kon goed zijn dat ik me vergiste over welke plichten mij precies riepen. Maar toch, maar toch…

‘Ik hoef helemaal niet in die raket hè?’ hoorde ik mezelf vol ongeloof vragen.
‘Raket? Waar heb je het over Kas?’
N’s stem klonk ietwat verbolgen, iets in mijn vraag leek haar erop te hebben gewezen dat zij zoals gewoonlijk wat langer wakker ging liggen dan ik.

Het leven was ook oneerlijk. Als ik vroeger spijbelde kon ik daar nooit echt van genieten, omdat ik me schuldig voelde. Dat ik nu een uitweg uit de ruimte bleek te hebben gevonden voelde vergelijkbaar. Waar had ik het ook aan verdiend dat ik op aarde mocht blijven? Als ik Bennie tegenkwam moest ik hem maar uitgebreid bedanken voor zijn interventie, zo’n praatje was ik op z’n minst toch wel aan het universum verplicht. En wie weet wat voor deuren dat verder weer zou openen.