Dat het de sympathieke maar gestoorde bovenbuurman was die zichzelf had buitengesloten en daarom een vriend opjutte om zijn voordeur in te trappen, dat zou allemaal pas veel later duidelijk worden. Op dat moment zat ik nog in de raket.
‘O, wat heb ik hier geen zin in zeg, o, wat heb ik hier geen zin in,’ bleef ik maar herhalen in mijn hoofd terwijl het ding steeds harder trilde, klaar om de aardbodem te verlaten. Een leven lang had ik weten te vermijden dat ik de ruimte ingeschoten zou worden, maar nu ging het er dan toch van komen.
Het moest nu eenmaal, dat stond vast, vanwege een bijzonder belangrijke reden die ik even niet meer paraat had. Ik had me neer te leggen bij mijn lot, maar wat baalde ik hiervan zeg. Het heelal, wat had ik er te zoeken? Er was toch weinig wat verder van me af kon staan dan die onmetelijke duisternis.
‘Kas, wordt wakker, wordt wakker.’
N staarde met grote ogen naar het plafond, dat elk moment naar beneden leek te kunnen komen. Even later stonden we in onze pyjama’s op onze gang, te luisteren naar dronken commando’s.
‘Hij zegt toch niet ‘trap ‘m dood?’’ vroeg ik met een stem die afkomstig leek van een andere planeet.
‘Nee schat, ‘trap hem door.’ Dat is duidelijk Bennie. Ik denk dat het z’n deur is die eraan geloven moet.’
‘Kom op Karel, het is je moedertje niet!’ hoorden we Bennie bulderen.
‘Wel verstandig dat hij die Karel laat helpen,’ fluisterde N, ‘Ben heeft het aan z’n rug, daar moet-ie echt mee oppassen.’
N kent de medische klachten van iedereen uit het trappenhuis. Ik hou het altijd bij ‘goedendag’ en ‘tot ziens’ als ik mijn buren passeer, als ik in een uitmuntende bui verkeer wil ik daar nog wel eens wat over het weer aan toevoegen. Mijn geliefde heeft de wonderlijke gave om met iedereen altijd een geïnteresseerd praatje te maken. En mensen zijn dat zo weinig gewend in onze anonieme stad, dat ze zich vervolgens als haviken op haar storten met het uitstorten van hun gehele ziel en zaligheid.
‘Ja, reuze sympathiek van Kareltje’, fluisterde ik terwijl het gebeuk zowel in volume als in tempo verder toenam. ‘Maar waarom belt hij niet gewoon een slotenmaker?’
‘Lief, let jij ooit wel eens op als ik je iets vertel? Je wéét toch dat Bennie te kampen heeft met chronische telefoonangst?’
Daarop klonk de finale beuk, gevolgd door een bevrijdend gekraak.
Aan het piepende gehijg te horen was Kareltje ook niet de jongste of de fitste.
‘Home sweet home,’ sprak Bennie triomfantelijk.
Even later lagen wij weer in bed, klaarblijkelijk klaarwakker te baden in de stilte.
Het was bijna half vier, over iets meer dan twee uur zou mijn wekker gaan. Ik wachtte op de stress die deze constatering met zich mee moest brengen, maar in plaats daarvan voelde ik een voorzichtige opluchting zich meester van mij maken.
Op teveel mocht ik nog niet hopen, het was ook allemaal zo verwarrend geweest met die stemmen en die deur. Het kon goed zijn dat ik me vergiste over welke plichten mij precies riepen. Maar toch, maar toch…
‘Ik hoef helemaal niet in die raket hè?’ hoorde ik mezelf vol ongeloof vragen.
‘Raket? Waar heb je het over Kas?’
N’s stem klonk ietwat verbolgen, iets in mijn vraag leek haar erop te hebben gewezen dat zij zoals gewoonlijk wat langer wakker ging liggen dan ik.
Het leven was ook oneerlijk. Als ik vroeger spijbelde kon ik daar nooit echt van genieten, omdat ik me schuldig voelde. Dat ik nu een uitweg uit de ruimte bleek te hebben gevonden voelde vergelijkbaar. Waar had ik het ook aan verdiend dat ik op aarde mocht blijven? Als ik Bennie tegenkwam moest ik hem maar uitgebreid bedanken voor zijn interventie, zo’n praatje was ik op z’n minst toch wel aan het universum verplicht. En wie weet wat voor deuren dat verder weer zou openen.
Bitterballenbon
Sinds enkele weken glimt er een zilveren knopje op mijn dochters rechterneusvleugel. Ik had wel verwacht dat het haar uitstekend zou staan. Toch kostte het me de nodige slapeloze nachten om te besluiten of het ‘mocht’. Hoe ouder zij wordt, des te lastiger ik die mag-vraag begin te vinden. Vroeger was het leven overzichtelijk: ‘nee, je mag geen ijsje voor het eten’, ‘ja, je mag nog even op de schommel’. Daar hoefde ik geen research op internet voor te plegen, geen enquêtes in mijn omgeving voor uit te zetten; ik wíst die dingen wonderbaarlijk genoeg gewoon. Nu weet ik het meestal na al mijn gepieker nog steeds niet echt, maar er dienen nu eenmaal knopen doorgehakt te worden.
Ik kwam uit op een compromis met mezelf: zij mocht zo’n knopje, maar zou het niet van mij krijgen. De aanleiding van dit vraagstuk was namelijk dat de neuspiercing op haar verlanglijstje stond en haar moeder had voorgesteld dat wij deze samen zouden geven.
‘Geef jij haar dat maar, dan geef ik haar iets anders,’ zo deelde ik de conclusie van mijn onderzoek.
Mijn ex had er nooit een geheim van gemaakt dat zij zelf als dertienjarige zo’n neusknopje had laten zetten. Dit zou best een reden kunnen zijn dat onze dochter, die nu alweer veertien werd, vond dat zij het dan toch ook mocht. Daar valt lastig tegenop te piekeren.
‘Ik heb nog even overwogen of ik er niet zelf ook weer eentje zal laten zetten,’ sprak de trotse moeder half-grappend, terwijl ze de tompoucen over bordjes verdeelde.
‘Waarom doe je dat dan niet mama?’ zei de jarige.
‘Oh, ik ging er eigenlijk vanuit dat je dat gênant zou vinden.’
‘Nee, dat is toch juist cool?’
Wat wel of niet cool dan wel gênant bevonden wordt, daar valt toch ook moeilijk de vinger op te leggen, maar moeder en dochter dragen nu ieder geval een identieke neuspiercing.
‘En als ze nou een navel- of tongpiercing had gevraagd, was dat voor jou ook prima geweest?’ had ik, in een vroeg stadium van mijn onderzoek, voorzichtig bij mijn ex geïnformeerd.
‘Natúúrlijk niet! Die dingen kunnen toch absoluut niet bij een veertienjarige, en ik vind ze sowieso ordinair.’
Zij was altijd al gezegend geweest met stellige opvattingen. Mij leek het ergens wel wat arbitrair. Waarom mag het een wel en het ander niet? Moet zoiets subjectiefs als smaak dan doorslaggevend zijn? Of is het juist een ouderlijke plicht om onze voortreffelijke smaak door te drukken?
Ik overhandigde mijn dochter een bon van mijn favoriete platenzaak. Ze probeerde een meewarige blik te onderdrukken, zo’n bon vraag ik normaal voor míjn verjaardag. Maar dit cadeau was echt niet enkel stiekem om mezelf op zo’n uitje mee te sturen, heus niet: de laatste keren dat ik vinyl ging shoppen, wilde zij graag mee om schijfjes in te slaan voor haar cd-speler (pubers zijn het eindeloze streamen zat, las ik onlangs, fysieke media raken weer helemaal in).
Na afloop gingen we naar onze stamkroeg (ja, een gezamenlijke heb ik dus wél), om haar bonuscadeau in te wisselen: een ‘bitterballenbon’ (waar haar bonusmoeder, tevens mijn artistieke geliefde, deze kroeg tot in detail op nagetekend had). In hoeverre borrelgarnituur onder voortreffelijke smaak valt durf ik niet te zeggen, maar - nadat wij een periode muzikaal uit elkaar groeiden, zoals ongetwijfeld gezond zal zijn - komt mijn gepiercte dochter tegenwoordig met albums aanzetten die mij doen glunderen, al probeer ik dat vooral niet teveel te laten merken. Toen ze vroeg of ze een cola mocht, hoefde ik daar voor de verandering eens niet zo lang over na te denken.
Einzelgänger
Er was een tijd dat ik blije mensen eng vond, tegenwoordig vind ik ze vooral aandoenlijk. Aandoenlijk en ontroerend; hoe ouder ik word des te meer de meest onbenullige zaken waterlanders bij mij teweegbrengen, om horendol van te worden. Ooit was ik emotieloos, alleen dat ene stukje van dat ene nummer deed mij in janken uitbarsten, haast als op commando. Tegenwoordig krijgen de tranen geen kans meer om zich op te hopen, ik pink ze gedurende de dag weg. Zo subtiel mogelijk natuurlijk, ik wil niet dat mijn leerlingen ze zien. En juist zij zijn zo vaak de bron van mijn ontroering.
Zoals Omar, de veel te grote jongen met de veel te luide stem, die niets liever wil dan op alles het antwoord laten weten. Hij doet altijd z’n best - op zijn manier, met grove grappen in z’n gebrekkige Nederlands - om een groepsgevoel te creëeren. Het zijn grappen waar ik eigenlijk wat van zou moeten zeggen, niet iedereen lijkt altijd te begrijpen hoe verbindend hij het bedoelt. En een groep zal mijn mentorgroep nooit worden, in de bovenbouw volgt iedereen weer andere lessen en het enige dat deze adolescenten gemeen hebben is dat ze zo gek waren om mijn vak te kiezen.
Wel zijn er natuurlijk groepjes binnen de groep. En ook is er een leerling die buiten elk groepje valt, zoals doorgaans het geval is. Ik was vroeger die leerling, de einzelgänger. Dat vond ik prima, aan mezelf en mijn gedachten had ik meer dan genoeg, het idee om ook nog eens met anderen om te gaan leek me doodvermoeiend.
‘Het is toch heerlijk toeven in je eigen universum’, sprak ik eens in een mentorgesprek tegen Zoë, die daarop overvallen raakte door iets wat haar gezicht niet zo gewend leek: een glimlach.
Het lastige aan niet op willen vallen is dat het zo opvalt. Spot en hoon leer je wel te negeren, maar medelijden is een lastigere schijnwerper. Dus toen de schoolfotograaf maar bleef benadrukken dat Zoë wat dichter bij de rest moest staan, dat ze echt niet zo verlegen hoefde te zijn, dat het er anders toch raar uitzag, voelde ik haar worsteling. Schoolfotografen vond ik ooit de ultiem enge mensen, met hun professionele blijheid, maar nu zag ik iemand die ook maar worstelde met zijn opdracht. Gelukkig was daar Omar om alle worstelingen te doorbreken.
‘Mag ik mijn handen op jouw schouders leggen?’ hoorde ik hem zeggen.
Met een stem stiller dan een briesje zei Zoë dat het goed was. In de flits die volgde veegde ik mijn tranen weg.
Toen ik de foto terugzag zag ik dat ze dezelfde jas aanhadden.
Kroegentocht
Jacques was nog nooit in mijn stamkroeg geweest. Nou was ik ook bijna nooit in mijn stamkroeg geweest, de stamkroeg was meer een idee, een concept, een visie (vermoedelijk afkomstig van televisie). Al zo lang ik me kan herinneren verlang ik naar zo’n plek, waar ik op mijn vaste kruk aan de toog neervlij om daar het vaste recept te bestellen, een schaal pinda’s leeg te kauwen en mijn levensverhaal te oreren aan wie het maar wel of niet horen wil. Maar een vast recept heb ik niet, ik hou helemaal niet van pinda’s en nog minder van mensen. Of nou ja, ik hou wel van mensen, maar niet in mijn vrije tijd. Dan ben ik het liefst alleen, of met mensen die mijn levensverhaal al kennen. Mensen zoals Jacques. Hij is ooit naar het Franse platteland geëmigreerd en zoals dat gaat met zulke types voelt hij zich sindsdien een Fransoos, en heeft hij de nodige opvattingen over onder andere de Hollandsche directheid, Hollandsche tafelmanieren en Hollandsch brood. Maar het fenomeen stamkroeg - niet per se typisch Hollandsch, maar op het Franse platteland toch wel redelijk ver te zoeken - trok hem over de streep om met mij een avondje op stap te gaan.
‘Heb je er dan eindelijk één gevonden? Ik weet dat je er al je leven lang naar zoekt,’ had hij mij verrukt geappt.
‘Goede muziek, stevige worst, en een rijk assortiment aan pilsen. En dan ook nog eens op kruipafstand van mijn huis. Wat wil een mens nog meer?’ typte ik als ultiem reclamepraatje, haast als om mezelf te overtuigen.
Maar hoe dichter we de opgehemelde plek naderden, des te moeilijker viel te ontkennen dat het er ramvol zat. Een reusachtig scherm vertoonde op vol volume een voetbalwedstrijd.
‘Dit had ik niet van jouw stamkroeg verwacht,’ sprak Jacques verbouwereerd.
Een van de basisessenties van onze vriendschap is dat hij net zo’n fanatiek sporthater is als ik.
‘Shit,’ stamelde ik, ‘ik dacht toch écht dat ik ‘m eindelijk gevonden had.’
Met mijn geliefde had ik al het worstcasescenario besproken dat we niet naar de stamkroeg konden. Of nou ja, ik dácht dat dat het worstcasescenario zou zijn, dat-ie vanwege een lekkage gesloten zou blijken of iets dergelijks. Dat mijn stamkroeg onmogelijk mijn stamkroeg kon zijn, was toch wel nog een stukkie worse than the worst. Het zou tijd kosten om dat te verwerken. N had mij ieder geval toestemming gegeven om dan maar naar een van de omliggende etablissementen uit te wijken, de zaken die wij normaal standvastig boycotten. Eigenlijk was ze ook te goed voor deze wereld.
‘Waarom boycotten jullie die zaken?’ vroeg Jacques, mijn afgewezen stamkroeg achter ons latend.
‘Omdat ze in handen zijn van sinistere figuren, die de eigenheid van elke wijk om zeep helpen. Plekken die er zogenaamd voor alle buurtbewoners zijn, maar waar tosti’s worden geserveerd van veertien euro per stuk.’
‘Wat zit er dan allemaal op die tosti’s? Is het wel met béchamel?’ sprak Jacques, helemaal mijn punt negerend.
De te boycotten kroegen vertoonden geen voetbal, maar zaten ook allemaal vol. Ach, het was natuurlijk ook zaterdagavond. Iemand die liever de deur niet uitkomt staat bij zulke zaken ook niet stil.
Uiteindelijk kwamen we terecht bij een plek genaamd Cafe Français, dat zichzelf op de luifel aanprees als ‘the place to be for authentic French vibes’.
De door de speakers snerpende chansons onderstreepten de leegte van de gigantische zaak. Op een romantisch brasserieënd stelletje na dat voor de gelegenheid leek te zijn ingehuurd, waren wij de enige klanten. Dit was nou weer het andere uiterste, maar het belangrijkste was dat we eindelijk wat konden drinken.
‘Zo’n kroegentocht zonder kroegen maakt toch maar dorstig,’ vatte Jacques de situatie samen.
Het bedienend personeel was zeker met het drievoudige van het aantal gasten, maar hun aandacht trekken bleek een intensieve opgave. Ze waren zo ontzettend druk met van alles in de weer.
‘Typisch die Amsterdamse mentaliteit hè,’ sprak Jacques, ‘de klant is hier geen koning, maar een irritante onderbreking van het o zo belangrijke eigen leventje.’
Ik moest naar de wc en zei dat hij maar wat voor mij moest bestellen, als het hem zou lukken.
‘Breng zo maar verslag uit van die toiletten,’ zei Jacques. ‘Benieuwd wat ze daarvan gemaakt hebben. Vast geen gat in de grond voor de authentieke experience.’
Pas toen ik wegliep zag ik dat het bankje waarop we zaten de vorm had van een croissant.
Toen ik terugkwam bleek tot mijn opluchting een serveerster aan onze tafel te staan.
‘Maar jullie zijn toch een Franse kroeg, dan hebben jullie dus ook Picon bière.’
‘Oh, maar we hebben het heel waarschijnlijk ook hoor,’ zei de jonge vrouw geschrokken. ‘Ik weet alleen niet wat het is, niet helemaal precies zeg maar. Ik drink zelf alleen maar biertjes.’
‘Dit is ook een biertje,’ zei Jacques, ‘maar dan met Picon erin. Een flinke duim zou ik zeggen.’
‘Juist ja,’ zei ze. ‘Ik ga het even navragen.’
‘Doe nou niet zo moeilijk,’ fluisterde ik naar Jacques. Niet dat iemand mij kon horen, de chansons hadden inmiddels plaatsgemaakt voor Franse rap.
‘Hoe bedoel je? Ik doe helemaal niet moeilijk, ik heb gewoon zin in een lekker drankje. En als ze dat ergens moeten hebben is het toch hier wel, zou je zeggen, niet?’
‘Je zit ze gewoon uit te testen.’
Even later stond de serveerster met een haast identieke collega bij ons.
‘Hoe schrijf je dat picololon?’ zei de collega. ‘ChatGPT kent het niet, of hij begint over handschoenen en dat lijkt me niet wat jullie bedoelen.’
‘Madames,’ zei Jacques, ‘ik zie daar een enorme collectie flessen achter de bar staan, staat het daar niet gewoon tussen?’
‘Oh, die flessen,’ zeiden de serveersters in koor, alsof ze ergens op betrapt waren.
‘Die staan er toch eigenlijk alleen voor de show?’ zei de een.
‘Nee, daar zit volgens mij wel echt drinken in hoor,’ zei de ander.
‘Ik loop wel even met jullie mee,’ zuchtte Jacques.
De avond was eigenlijk nog maar net begonnen, maar nu al doodvermoeiend. Eenzaam bleef ik achter op mijn croissant.
‘Gadverdamme, wat een smerig drankje was dat zeg,’ zei ik, terwijl we onze tocht vervolgden, nu op weg naar oerhollandsche shoarma. Daar had Jacques opeens wel trek in, dat dan dus weer wel.
‘Je moet het leren drinken, mijn vriend,’ zei Jacques. ‘Je moet het leren drinken.’
Ik kon me niet aan de indruk onttrekken dat hij er ook weinig van genoten had.
‘We kunnen misschien na de shoarma nog even kijken bij die ene kroeg, of dat voetbal daar inmiddels voorbij is,’ opperde ik aarzelend.
‘Oh, jouw stamkroeg?’ vroeg Jacques spottend.
‘Ja, die kan dus ook weer mooi op die lange lange lijst van afgewezen potentiële stamkroegen,’ zei ik beteuterd. ‘Ik dacht toch echt dat ik ‘m eindelijk gevonden had.’
‘Je weet toch wat ze zeggen m’n jongen,’ zei Jacques en hij sloeg een arm om me heen. ‘Het gaat om de zoektocht, niet om de bestemming.’
Ach, wat had hij toch weer gelijk, dat heerlijk irritante mannetje, die fantastische vriend. Misschien moest híj dan maar gewoon mijn stamkroeg zijn.
Marktplaatsmatch
‘Ben je nou alweer terug?’ vraagt mijn vriendin verbaasd. ‘Ik dacht, die is nog wel even zoet bij Wimpie.’
Wimpie is de afgelopen tijd een begrip geworden bij ons thuis. Tijdens haar dagelijkse avondwandeling over Marktplaats is mijn geliefde - laten we haar vanaf nu N noemen - hem tegengekomen. N staat erom bekend dat ze altijd van alles op Marktplaats tegenkomt, en overigens ook op Vinted, in kringloopwinkels, op vlooienmarkten, soms op de stoep. Sommige mensen schijnen gedachten te kunnen lezen of met de doden te praten, maar N’s zesde zintuig bestaat uit het struikelen over kostbare koopjes. Van de prachtigste antieke meubelen tot het meest handzame keukengerei, van stijlvolle rollen behang tot boekwerken om handschoentjes bij aan te trekken. Om de haverklap toont ze me kledingstukken, die haar natuurlijk stuk voor stuk fantastisch staan, en daarna moet ik dan raden wat die ‘nieuw’ kosten. Soms laat ze me labels zien die me niks zeggen, maar kenners van haute couture naar adem doen happen. Vervolgens zoekt ze het product online en houdt het laptopscherm voor m’n neus alsof ik haar anders niet zou geloven.
‘Een hoop geld, maar het is dan ook een mooi hoedje,’ zeg ik dan.
Een mooi hoedje is het zeker, en achthonderdvijftig euro best een hoop geld.
De volgende stap in dit vertrouwde script is dat ik moet raden hoeveel zij ervoor betaald heeft.
‘Nou, ietsje minder mag ik hopen. Zevenhonderdvijftig?’
‘Twee euro vijftig. En kijk nou, hij is nog zo goed als nieuw.’
Het verbaast me allemaal allang niet meer, maar toch blijf ik de verbazing trouw meespelen. Er is voor mij dan ook weinig mooiers in dit universum dan haar blijdschap.
Wimpie woont binnen een kilometer bij ons vandaan en plaats elke dag een paar elpees uit zijn rijke collectie.
‘Je moet Wimpie echt in de gaten houden hoor,’ heeft N meermaals streng gezegd.
Wimpie heet eigenlijk Wim, maar we zijn hem Wimpie gaan noemen, zoals die dingen gaan.
‘Waarom zou hij al die mooie platen wegdoen? Sommigen zijn zelfs gesigneerd,’ zeg ik ontdaan terwijl ik door z’n advertenties scroll. Ik vertrouw het niet, er moet een tragisch verhaal achterzitten dat ik niet wil kennen. Het kopen van zo’n plaat zou me anders aan die tragiek medeplichtig maken.
‘Ga bij hem langs, zoek het uit. Wie weet mag je wel een blik werpen in zijn kast, op de platen die hij nog níet geplaatst heeft. De ware schatten bewaart-ie vast voor het laatst. Vindt Wimpie vast ook heel gezellig, wie weet worden jullie wel soulmates.’
Even overwoog ik een extra rondje te fietsen, zodat het net zou lijken alsof Wimpie en ik meer tijd hadden doorgebracht dan noodzakelijk voor onze transactie.
Maar nee, dat ging toch net te ver.
‘Het was zo geregeld,’ leg ik op verontschuldigende toon uit aan N.
’Ik had eerst geld gepind, daarna had ik een snickers gekocht voor het wisselgeld, en toen ik die op had heb ik bij Wimpie aangebeld. Hij kwam heel vrolijk over, helemaal niet tragisch.’
‘Ik heb Wimpie nooit voor me gezien als een tragisch persoon hoor, dat had jij van hem gemaakt.’
‘Hij zei dat hij ruimte wilde maken in z’n huis, en dat hij blij was dat anderen er plezier van zouden hebben.’
‘Ach, die Wimpie. En heb je wel even in z’n kast mogen snuffelen?’
‘Dat heb ik niet gevraagd. De door mij gereserveerde exemplaren lagen op me te wachten in de gang. Ik blijf hem gewoon in de gaten houden hoor.’
‘Ja, binnen een straal van een kilometer zijn we toch praktisch buren met Wimpie. Heb je wel gezegd dat hij altijd ook bij ons aan kan bellen, bijvoorbeeld als z’n suiker op is?’
Beter een goede marktplaatsbuur dan een verre vintedvriend, maar al te vaak moet ik niet bij Wimpie over de vloer komen. Ook in ons huis begint zo onderhand enig ruimtegebrek te ontstaan, waardoor wij weer advertenties moeten plaatsen. Zo blijft men bezig. En het is jammer bovendien dat ik niks om handtekeningen geef, want vanwege die krabbeltjes heb ik waarschijnlijk wel het tienvoudige voor mijn platen betaald. Maar ach, elke gelegenheid om thuis ook eens indruk te maken moet nu eenmaal met beide handen worden aangegrepen.
Fototompouce
Vandaag is mijn dochter veertien geworden. Dat is een leeftijd waarop ze voor het eerst overweegt - en dan vind ik het allemaal wel erg dichtbij komen hoor, wordt ze inenen wel érg volwassen - het eens niet te vieren. Tenminste, het niet te vieren met vriendinnen, wat natuurlijk allang geen ‘kinderpartijtje’ meer mag heten. Ze heeft ook zoveel verschillende vriendengroepen, ik herinner me nog goed van vroeger hoe dat opeens ingewikkeld kon gaan voelen. Het ‘grotemensenfeest’ gaat natuurlijk altijd door. We vieren dat zondag met onze uitgebreide maar toch zo kleine familie, en daar hoort een zekere traditie bij.
Al zo’n kleine tien jaar bestel ik bij de Hema tompoucen waarop een foto van de jarige job prijkt en die foto is dan een foto van het jaar ervoor waarop ze een tompouce eet met daarop een foto van het jaar daar weer voor, nou, u begrijpt het idee. De grap van dit project is dat de gebaksfotokwaliteit natuurlijk niet ook maar een fractie weer kan geven van deze in theorie duizelingwekkend blik in een verjaarsgeschiedenis. Hoogstens kan je als je heel goed naar zo’n taartje staart (voor wie het geduld kan opbrengen dat kan doen op een drukke verjaardag) ontwaren dat er verleden jaar ook een tompouce gegeten werd. Deze verjaarstompouce is een manifestatie van een idee dat niet echt gemanifesteerd wordt, een conversation piece voor geelromige bekken. Het is een grap die steeds opnieuw uitgelegd moet worden en die ook nooit echt beklijven wil. Zélfs voor familieleden die het al jaar in jaar uit uitgelegd krijgen, al worden die nu eenmaal ook een dagje ouder. De meeste mensen in onze families houden ook helemaal niet van tompoucen, en zeker niet van de Hema. Daarom is er daarnaast ook altijd nog een ‘echte taart’, zo een waar kaarsjes in passen, door een oma of bonusmoeder met ziel en zaligheid bereid. Hoe heerlijk ook, die taart is bijzaak.
Het was nog even spannend of de traditie dit jaar kon worden voortgezet. De website van de Hema herkende mijn fotobestanden opeens niet meer. Even overwoog ik vreemd te gaan met de Jumbo, waar we ooit eerder onze toevlucht zochten tijdens corona-tijd omdat de Hema minder essentieel bevonden werd. Niemand proefde toen het verschil, maar toch voelde het niet goed.
Na een tijd in de chat van de klantenservice te hebben gehangen, bleek de Hema-medewerker niet verder te komen dan dat ik het in een andere browser kon proberen, maar dat had ik uiteraard al geprobeerd. Ik ben toch ook niet van gisteren.
‘Kan ik anders langskomen bij een filiaal met het jpg-bestand op een usb-stick?’ probeerde ik toen maar.
De tijd begon immers te dringen.
‘Dat noem ik nou nog eens out-of-the-box-denken,’ typte de medewerker. ‘Daar houden wij van bij de Hema. Maar helaas werkt het zo niet.’
Nadat hij heel lang met een collega had overlegd, en ik bijna het scherm gesloten had omdat ik dacht dat ik vergeten was, kreeg ik het bericht dat er bij hoge uitzondering een ultrageheim nummer met mij gedeeld werd, van het fototompoucenhoofdkwartier. Daar moest men mij zeker verder kunnen helpen.
Even later kreeg ik Wilco aan de lijn.
‘Ja, we hebben vaker gedoetjes de laatste tijd,’ zo legde hij uit. ‘Maar als je dat fotootje naar dit nummer appt, met de gewenste hoeveelheid erbij, dan kan je ze gewoon zondag op tijd afhalen hoor. Gewoon bij jou om de hoek, geen enkel probleem. Gaat het eigenlijk om een regulier formaatje of om minitjes?’
‘Een combinatie graag.’
‘Ah, voor de kleine en de grote happers. Hartstikke mooi.’
Volgens mij was alles hiermee helemaal geregeld, dus wilde ik het gesprek afronden. Maar ik had het gevoel dat ik Wilco nog iets moest vragen, omdat hij met zijn ultrageheime nummer vast weinig mensen sprak.
‘Wat is eigenlijk de raarste foto die je ooit op een tompouce hebt moeten drukken?’ hoorde ik mijn stem vragen.
Gênant, die vraag kreeg hij natuurlijk áltijd op verjaardagen en begrafenissen.
Wilco zuchtte inderdaad enigszins vermoeid.
‘Het valt mee hoor,’ zei hij. ‘Afgezien van de gebruikelijke dick pics, alleen zo af en toe een hakenkruisje.’
‘En die moeten jullie dan afwijzen natuurlijk.’
‘Officieel wel, officieel wel. Maar ik knijp wel eens een oogje toe hoor. Ik bedoel, die mensen hebben toch ook recht op een zoete traktatie? Omdat zij dan toevallig een andere politieke voorkeur hebben, gaan wij ze dat ontzeggen? Ik vind dat wel ver gaan hoor, ik ben voor vrijheid van tompoucenuiting.’
‘En AI-gegenereerde content?’
Waarom bleef ik dit gesprek gaande houden? Het was toch duidelijk dat ik ons beiden hier alleen maar mee vermoeide? Maar Wilco leek alleen maar enthousiaster te worden, hij sprak zo snel dat hij bijna niet meer te volgen was.
‘Ja natuurlijk, deepfakes zie je steeds vaker. En ook een steeds sterker vermoeden van Russische trollbots, die schijnbaar onschuldige plaatjes van bijvoorbeeld een gieter in een weiland bestellen en nooit ophalen, duidelijk alleen bedoeld om het systeem te ontwrichten. Ik denk daarom ook dat die site zo hapert. Maar het past niet meer bij de tijdgeest om dat allemaal tegen te houden hoor. We hebben alle factcheckers hier de laan uitgestuurd. Of nou ja, een paar heb ik laten omscholen voor mijn hobbyprojectje. Een bloedstollende serie, enkele streamingdiensten hebben al interesse getoond.’
‘Nou, wat mooi zeg. Over tompoucen?’
‘Wat denk jij dan, die gebakjes zijn mijn lust en mijn leven. Wist jij dat antropologisch-mathematisch onderzoek onlangs heeft aangetoond dat er welgeteld 72 manieren zijn om zo’n ding te verorberen? De gemiddelde Hollander kent er maar 3: ‘dakje eerst’, ‘dakje laatst’, en de immer riskante ‘alles-ineen-hap’. Maar daar komt dus nog een heel spectrum aan mogelijkheden bij.’
‘Wow Wilco, wat een leerzaam gesprek is dit toch. Maar waar gaat die serie nou over?’
‘Een kat-en-muisspel tussen een neurotische rechercheur en een geslepen psychopaat, we hebben het vaker gezien. Maar in dit geval stuit die rechercheur elke keer dat-ie thuis komt - een heel donker huis met nauwelijks meubilair - op een tompouceje dat daar op mysterieuze wijze terecht is gekomen. Wanneer die rechercheur het gebaksdoosje opent, hoor je steeds hetzelfde pianomotiefje, heb ik ook zelf gecomponeerd. Als trouwe kijker gaan je nekhaartjes dan steeds weer rechtop staan, want op elke tompouce zien we een cryptische hint waardoor die rechercheur weer iets dichter bij de psycho lijkt te komen. Tenminste, als hij niet op het verkeerde been wordt gezet, tot het laatste seizoen blijft dat toch de grote vraag.’
Het was interessant om eens een kijkje te krijgen in de keuken van de fototompoucenindustrie, waar ik elk jaar rond deze tijd weer m’n steentje aan bijdraag. Toch moest ik wel even bijkomen van al deze informatie. Het belangrijkste was dat Wilco aan de slag kon met mijn foto, om deze heerlijk onzinnige traditie voort te zetten, dit in glazuur gevangen semi-droste-effect dat zoals zoveel dingen in het leven juist zo mooi is omdat het alleen maar in theorie bestaat. Hoewel heel soms dingen die écht bestaan, zoals mijn dochter, nog vele malen mooier zijn.
Eruit gestuurd
‘Heb je er nog iemand uitgestuurd vandaag?’
Ik weet niet wanneer het begon, maar zowat elke dag dat ik thuis kwam uit mijn werk stelde mijn dertienjarige dochter deze vraag, soms nog voordat ze mij begroet had. Aanvankelijk deed ze dit op een verlekkerde toon van hoopvolle nieuwsgierigheid, later steeds moedelozer, tot het verwerd tot een running gag waar geen antwoord meer op verwacht leek te worden. Hoe vaak ik haar ook uitlegde dat ik nu eenmaal hele rustige leerlingen heb, dat kinderen die zo gek zijn om filosofie te kiezen echte braveriken zijn, wist zij wel beter; geen enkele groep is zonder stoorzender en in haar ogen was ik dan ook een slappe leraar die geen orde op zaken durfde te stellen.
Ze hoefde niet te weten dat ze gelijk had, al zijn het niet de leerlingen die ik vreesde, maar het systeem. Want iemand eruit sturen was niet alleen de laatste trede van de gevreesde escalatieladder - voorafgegaan door nauwkeurig opbouwende verbale én non-verbale waarschuwingssignalen - maar tevens het begin van een complex proces waar vele actoren bij betrokken dienden te worden. Elke keer dat ik op het punt stond iemand het gat van de deur te wijzen, al was het maar om mijn dochter gelukkig te maken, dacht ik aan die vele stappen die elk schooljaar weer geüpdate werden en waarvan de laatste versie ergens in een mapje in een mapje op het intranet moest staan, en raakte ik te nerveus om voet bij stuk te houden.
‘Niet meer doen hè,’ hoorde ik mezelf dan zuchten, ‘anders ben je nog niet jarig.’
Deze week stond ik ingeroosterd voor de nachtmerrie aller lesuren: het stipuur. Dit houdt in dat een docent moet ‘oppassen’ op een brugklas, omdat een collega uitgevallen is. Aangezien mijn vak pas in het vierde jaar te kiezen valt, heb ik dan altijd onbekende leerlingen voor mijn neus zitten. Tenminste, als ze zitten. Ooit nam ik me voor van deze verrassingsles iets geweldigs te maken. Ik zou met die ukkies, nog zo puur en onbedorven, aan het filosoferen slaan zoals nooit eerder gebeurd was, en als ware bekeerlingen zouden ze dan natuurlijk allemaal later geen seconde na hoeven na te denken over het kiezen van dit droomvak en het opgroeien tot verrijkte en verlichte geesten. Maar in de praktijk bleek dat toch ietwat anders uit te pakken. De adolescenten die ik gewend ben dreigen nog wel eens in slaap te vallen, deze bruggers springen het liefst in het rond, pakken elkaars spullen af of krijgen opeens bloedneuzen. Tegenwoordig zeg ik maar dat ze ‘lekker iets voor zichzelf moeten doen’, met als voorwaarde dat ze op hun plek weten te blijven en geen andere geluiden verspreiden dan wat gefluister met hun buur. Kan ik mooi mijn volgende reguliere les voorbereiden, zo houd ik mezelf dan voor tegen beter weten in.
Het ‘iets voor jezelf doen’ in relatieve stilte blijkt immers al uitdagend genoeg. Zo hebben de kinderen laptops waar soms een geluid uit komt, als een hardhorende detective maak ik dan een ronde langs de tafels om de verdachte geluidsbronnen te lokaliseren. Deze week lukte het zowaar om de boosdoener aan te wijzen. Het was een meisje met vlechtjes, van het type dat vroeger langs de deur kwam voor kinderpostzegels. Ze zat een netflixserie te kijken, iets met eenhoorns. Ik vroeg of ze het geluid uit kon doen, of anders oortjes in. Ze knikte begrijpend, zonder haar blik van het scherm te wenden. Even later hoorde ik opnieuw geluiden uit haar laptop. Weer sprak ik haar aan en weer knikte ze begrijpend.
‘Ik blijf het niet zeggen hè,’ hoorde ik mezelf zeggen. Hoe ver op de escalatieladder zaten we inmiddels?
De derde keer zei ik dat ze kon vertrekken. Ze keek me met grote ogen aan.
‘Ik zal het geluid nu echt uitdoen,’ bibberde ze vol ongeloof.
‘Te laat,’ zei ik, ‘Je moet nu gaan.’
‘Maar meneer, dan moet u wel een uitstuurbriefje meegeven.’
Dat was waar ook, dat was ik bijna helemaal vergeten. Waar lagen die dingen?
Ik speurde alle hoeken van m’n bureau af. Dit was een moment om te zeggen ‘laat toch maar,’ maar nee, al kostte dit de rest van het stipuur, zij zou eruit gestuurd worden. Dat was ik aan mezelf verplicht, dat was ik aan m’n dochter verplicht.
‘Woooow,’ hoorde ik een jongetje zeggen, ‘Niet Mehmet of Beer wordt eruit gestuurd, maar Liv, dat is echt ziek.’
Toen Liv vertrokken was, was het even helemaal stil in het lokaal. Dat zal niet meer dan een minuut geduurd hebben, daarna werd het drukker dan ooit. Eigenlijk zou ik anderen nu ook moeten aanspreken, die hele escalatieladder met ze beklimmen en indien we tot de laatste trede kwamen ze ook eruit sturen; consequentheid was immers het állerbelangrijkste instrument voor een docent, hoevaak had ik dat wel niet gehoord, hoeveel nascholingen had ik daar wel niet over bijgewoond, maar ze bekeken het maar. Ik was wel klaar met deze dag, kon niet wachten om zo naar huis te gaan en m’n dochter het grote nieuws te vertellen.
Maar eerst moest ik nog de volgende stappen doornemen. Na een speurtocht door alle intranetmappen, terwijl het rumoer in het lokaal tot oorverdovende hoogten toenam, kwam ik het juiste document tegen. De ouders moesten gemaild, er diende een herstelgesprek plaats te vinden, daar moesten wij beiden dan weer een reflectieformulier over invullen, deze moesten worden ingescand, vervolgens diende een passende sanctie met mentor, teamleider en zorgcoördinator overeengestemd worden, en van dit alles diende een gedetailleerd verslag in de betreffende magisterrubrieken te worden gehangen. Maar eerst moest ik een e-mail sturen naar het lokaal waar de uitgestuurde leerling zich had moeten melden. Ik kreeg meteen reactie.
Wat doet dat arme kind hier? Ze is heel hard aan het huilen en kan niet uitleggen wat er gebeurd is. Dit is echt heel heftig om aan te zien.
De volgende pauze ging ik naar de docentenkamer voor wat op koffie moest lijken. Twee collega’s keken mij gefascineerd aan.
‘Is het echt waar?’ sprak een van hen. ‘Heb jij het allerbraafste meisje van school eruit gestuurd?’
‘Jij bent echt een meedogenloze docent,’ zei de ander. ‘Ik wist niet dat we die nog hadden rondlopen hier.’
Ik kon niet thuisbrengen of hun toon bewonderend of vol afschuw was, wellicht betrof het een mengeling van emoties.
‘Er kwam geluid uit haar laptop,’ stamelde ik verontschuldigend.
Wat dom klonk dat toch eigenlijk. Geluid uit een laptop, is dat nou een reden om iemand voor de rest van haar leven te traumatiseren? Hoe zouden haar ouders hiermee omgaan? Zouden ze advocaten kennen? Was dit nou wat ik de jeugd mee wilde geven?
‘Heb je er niet eens een filmpje van gemaakt?’ vroeg mijn dochter ontdaan, nadat ze bijgekomen was van haar kortstondige vreugdedans. Het was ook nooit goed.
En waar kwam toch eigenlijk haar obsessie met dat eruit sturen vandaan? Was het een stille wens om zelf wat strikter aangepakt te worden? Ik realiseerde me opeens dat wanneer ik haar zonder eten naar bed zou sturen, ik daar niet allemaal stappen voor hoefde op te volgen of formulieren in te vullen. Ik was aan niemand verantwoording schuldig behalve mezelf. Een wereld van mogelijkheden opende zich voor m’n ogen, het was lang geleden dat ik mij zó vrij had gevoeld.
Lynchiaans
De dagen na Lynch’ dood scrolde ik alle in memoria, rest in pieces en top-lijstjes van scènes hardnekkig voorbij, alsof het voetbalnieuws betrof of iets anders wat mij totaal niks zegt. Ik had geen zin om te rouwen. Ik had ook geen zin zijn werk gereduceerd te zien tot zogenaamde hoogtepunten of persoonlijke favorieten. Ik wilde een stukje schrijven over mijn diëtist, wat ik toen ook deed. Ik wilde mijn dagelijkse zaken kunnen blijven voortzetten (was opvouwen, toetsen nakijken, een appel schillen) met in het achterhoofd het gegeven dat dit wonderlijke genie met zijn zonderlinge dictie en zijn hartverwarmende hoofd zich ook ergens op deze planeet bevindt. Misschien schilt hij ook een appel, of vouwt hij de was. Waarschijnlijk kijkt hij geen toetsen na, maar je weet het nooit met die man. Wist.
Het is best knap, want zo groot is dat oeuvre niet, maar ik heb niet eens al zijn films gezien. Expres, want je kan ze maar één keer voor het eerst zien. En nou heb ik sommige van zijn werken dan weer heel vaak gezien, en kunnen die elke keer weer iets totaal nieuws brengen. En toch is zo’n eerste keer een ervaring om te koesteren. Ik denk bijvoorbeeld aan mijn kennismaking met Eraserhead. Ik rookte toen nog, maar alleen uit het raam. De beelden van de film zijn voor mij versmolten met die van de rustige straat waar ik toen aan woonde. Dat ik steeds wegkeek van het scherm om de rook uit te blazen van de ene die ik met de ander aanstak, maakte weinig uit. De film was toch zoveel groter dan dat scherm, het vulde het huis, van de fluitketel tot de radiator, en toen via het raam ook alle straten. De hele wereld werd Lynchiaans, wat ze natuurlijk altijd al was, maar nu zag ik het pas.
Het is een troostende gedachte, dat er nog een paar Lynch-films voor de eerste keer te zien zijn. Waarschijnlijk als ik dat restvoorraadje heb opgesnoept, kan ik beginnen met accepteren dat het daarbij blijven zal. Maar ook dan weiger ik terug te blikken. Tot het verleden zal Lynch nooit behoren, evenmin als dat voor Bowie kan, wiens dood ik nu al bijna tien jaar glashard ontken. Niet omdat hun werken zo ‘tijdloos’ zijn. Nee, gadverdamme. Die werken zijn slechts de (soms half-mislukte, maar nimmer oninteressante) producten van een creativiteit waar geen eindhalte bij te denken valt. Gelukkig zijn er altijd appels te schillen en is de was nooit uitgevouwd.
Koekie van eigen deeg
Het forenzenbestaan zit vol verleidingen. Twee treinen en een bus vervoeren mij van m’n bed naar de school waar ik probeer de jeugd aan het denken te krijgen, en weer terug. Die overstapmomenten kunnen funest zijn, zo had Benno van diëtistenpraktijk Door Dik en Dun al eens uitvoerig aan mij uitgelegd.
‘Maar eigenlijk is het leven één groot overstapmoment,’ voegde hij daar met geknepen oogjes aan toe.
Ik vroeg me af of al z’n cliënten op dit soort uitspraken werden getrakteerd, of dat ze voorbehouden waren aan de gezette wijsgeren.
Dat Benno geïnteresseerd was in mijn vakgebied, benadrukte hij constant. Hij was een stuk jonger dan ik, ergens achterin de twintig, en bewoog de hele tijd nerveus op zijn stoel.
‘Ik ga jou natuurlijk niet vertellen wat je wel en niet moet eten, dat zou ook een beetje gek zijn,’ had hij bij de intake gezegd.
Wat hij dan wél precies deed, was ook de keren dat ik hem daarna zag niet echt duidelijk geworden, maar een aardige jongen was het zeker. Hij omschreef zichzelf als ‘een echte lekkerbek’ en had allemaal ‘interessante pdf’jes’ die hij me zou mailen.
Het lukt steeds beter de lokroep der stationsversnaperingen te negeren. Vreemd genoeg is het dat laatste (of dus juist eerste) overstapmoment - een eenzaam station waar het altijd waait en geen enkel bushokje beschutting biedt - waar ik mezelf het vaakst een twix of lauw saucijzenbroodje zie afrekenen. Vreemd, omdat het aanbod hier juist zo bedroevend beperkt is. Een enkel zich kiosk noemend winkeltje, waar het weinige wat ze hebben vaak grotendeels op is en ik altijd de ogen van de verkoper voel observeren of ik ditmaal voor hartig dan wel voor zoet zal gaan, of dat het weer zo’n combidagje blijkt. Soms overweeg ik terug te leggen wat ik in mijn handen heb en met een geschrokken blik op mijn horloge of telefoon weg te benen, maar ik voel dat ik dan nageroepen zal worden, dus hou ik toch maar mijn pasje tegen het apparaat. Liever obesitas dan ongemak.
Een van Benno’s pdf’jes ging over het omdraaien van rollen. ‘Je brein houdt jou steeds voor de gek, maar jij moet leren hém voor de gek te houden. Laat maar eens zien wie er de baas is!’
Ik ben sterk, een krachtige godheid, zo fluister ik mezelf elke keer toe wanneer ik op de terugweg de kiosk weet te passeren. Maar op de heenweg, in alle benarde vroegte, wanneer ik nog niet helemaal wakker en dus toerekeningsvatbaar kan worden geacht, blijkt zo’n chocolate chip cookie toch zo gekocht, en waarom ook niet, ik verdien het toch ook, met dat brossige mondgevoel als balsem voor de ziel. Nog voor ik bij mijn halte ben, is de consumptie weggeslikt en het papiertje in een vuilnisbak verdwenen. Alsof het allemaal nooit gebeurd is.
Behalve dan wanneer zij achter de toonbank staat. De morsige vrouw die ik nooit iets anders heb horen zeggen dan de volgende tekst, lijzig opgelepeld vlak voordat haar scanner z’n piep heeft kunnen uitbrengen: ‘Een koekie van eigen deeg.’
Natuurlijk begrijp ik wel dat zij deze als gevat bedoelde opmerking maakt naar elke klant die zo’n koekje koopt, maar toch voel ik me persoonlijk vernederd. Na haar woorden smaakt het ding nergens meer naar. Ik kauw het trager weg dan normaal, ostentatief haast, als een gebalde vuist naar de kosmos.
Vandaag zit ze er weer, eindelijk. Op dit moment heb ik geoefend. Ik zal haar voor zijn, ik zal haar script afpakken. Ik heb dit te lang laten gebeuren, vanaf nu zal ik weer de regie over mijn eigen zonden voeren.
Met de barcode naar haar toe hou ik de suikerbom omhoog.
‘Een koekie van eigen deeg,’ spreek ik met overslaande stem en net wat te gehaast, maar wie goed luistert moet er toch ook trots in horen. Ik voel m’n wangen gloeien.
Exact even verveeld als anders (het zal de enige toon zijn die ze tot haar beschikking heeft) zegt ze: ‘Nou, dat zal er wel weer ingaan.’
Ik zal haar moeten vermoorden. Of toch maar een rijbewijs halen, andere opties kan ik niet bedenken. Ik veeg de kruimels uit mijn baard en betreed het streekvervoer.
Pedicure
Mijn pedicure was naar Dubai geëmigreerd. De laatste keer dat ik haar zag liet ze weten dat het mogelijk alleen tijdelijk was, haar man had daar een klus gekregen, echt een buitenkansje, en ze moesten maar zien hoe het daar beviel, hoe ze daar zouden aarden. In principe ben ik aan geen plek gebonden, zo legde ze me aan mij uit, overal hebben mensen voeten. Oorlogsgebieden uitgezonderd, dacht ik bij mezelf, maar ik liet weten dat het ik het begreep. Ze vroeg of ik roze sokken droeg, en hield fier een instrument omhoog waarop die kleur te bewonderen was. Ik kon mij geen roze sokken herinneren, maar het leek me ook niets om je voor te schamen.
De meeste mannen die hier komen worden door hun vrouw gestuurd, zo vertelde ze toen ik voor het eerst bij haar kwam. Voor mij gold dat ook, mijn geliefde had geklaagd dat mijn teennagels haar bezeerden als ik te dichtbij kwam. Er werd mij de keuze gegeven een pedicure te bezoeken of anders afstand te blijven bewaren. Ik koos voor het eerste en het gefrutsel aan mijn voeten beviel zo goed dat ik elke maand - daar viel voor mijn teennagels toch moeilijk tegenop te groeien, ook al deden ze nog zo hun best - een afspraak bij haar inplande. Tot ze dus naar Dubai vertrok.
Ze waren volledig geaard, zo liet ze haar klantenbestand via de mail weten. De mailadressen waren zichtbaar. Een lijst van onbekenden, maar we hebben allemaal voeten die iets met elkaar delen, zo mijmerde ik door het cc-veld scrollend. Een paar minuten later kwam er een reactie van ene Bria:
Wat leuk dat het zo goed is bevallen en dat jullie er blijven. Gefeliciteerd!
Ook leuk nieuws van mijn kant: sinds de laatste keer dat we elkaar zagen is mijn nieuwe roman uitgekomen, over de liefde en hoe ingewikkeld die soms kan zijn…
Dus als je nog kerstcadeaus zoekt of natuurlijk zelf wilt lezen in Dubai, zie de link.
Bij alle boekhandels te bestellen.
Drie minuten later mailde Bria:
Excuus allemaal, ik lette niet op dat ik het naar ‘all’ had geantwoord.
Ik had het gevoel dat er nog meer mails zouden volgen met ‘leuk nieuws’ dat al dan niet expres per ongeluk naar iedereen verstuurd werd en andere vormen van voet-op-voet-reclame, dat we zoveel meer bleken te delen dan onze tenen, dat we in de afwezigheid van onze pedicure een hechte groep zouden gaan vormen, maar het bleef hierbij.
Afgelopen week bezocht ik mijn nieuwe pedicure. Er bleken de nodige verschillen met de vorige te zijn, in plaats van liggend op een bank zat ik op een stoel op een verhoging, die ‘de troon’ werd genoemd. Haar aanpak was harder en sneller, wat contrasteerde met de rustgevend bedoelde muziek die door een gigantische box klonk. Ze vertelde dat ze eerst met moeilijk opvoedbare jongeren werkte, maar toch meer met voeten bleek te hebben. Verheugd hield ze een eeltrasp omhoog.
‘We hebben dan wel geen witte kerst gehad, maar nu gaat het toch nog sneeuwen,’ sprak ze met een kinderstem.
In de vier decennia dat ik op deze aardbol rondloop ben ik mij nooit al te bewust geweest van het feit dat ik voeten had. Gek toch hoe snel zulke zaken kunnen veranderen.
—————-
Naschrift:
Bovenstaand schrijfsel is het resultaat van mijn goede voornemen weer wat vaker mijn pennenvruchten met de wereld te delen. En ‘de wereld’, dat schijnen jullie te zijn. Ik schrok me een hoedje toen ik zag dat het drie jaar geleden is dat ik voor het laatst iets op deze site plaatste. Ook weer niet zo heel raar, aangezien mijn onderwijswerk zoveel uren en vooral ook gedachteruimte inneemt, en ik de weinige schrijftijd die ik overhoud aan mijn boek wil besteden. Ja, dat boek (een hardnekkig klassiek geval van ‘moeilijke tweede’) komt er écht. Ooit. In de tussentijd wil ik nu trachten de creatieve sappen stromende te houden middels de regelmatigheid van korte stukken in mijn koffiepauzes. Stukken die niet gebukt hoeven te gaan onder enige ambities anders dan het brengen van een gezonde dosis tragisch vertier.
Een spannend gesprek
Dit is het derde deel uit de serie De Podcastdialogen, waarin ik uit het overweldigende podcastaanbod de meest inspirerende gesprekken selecteer, speciaal voor u, omdat ik zo ben. Lees de voorgaande delen hier en hier terug.
Fineke: Zo Mick, ik vernam uit betrouwbare bronnen dat jij wel een euh, ahem, ‘bijzonder’ weekje achter de rug hebt.
Mick: Betrouwbare bronnen, betrouwbare bronnen? Ik heb het je toch zelf net verteld?
F: Nou, ik beschouw jou dan blijkbaar als een heel betrouwbare bron.
M: Dat is fijn om te horen, Fien. Echt heel fijn.
F: Ja, steek die maar in je zak. Maar vertel het dan maar aan de luisteraar, want die zit natuurlijk op het puntje van zijn of haar of hen stoel.
M: Hoe weet je nou dat ze op een stoel zitten? Veel van onze luisteraars schijnen naar ons te luisteren terwijl ze joggen.
F: Ja, daar kan ik me nou echt niks bij voorstellen. Kan jij je dat voorstellen, naar ons geklets luisteren terwijl je jogt?
M: Ik kan me sowieso niks bij joggen voorstellen. Wat bezielt die mensen?
F: Nou ja, ik ben ook niet zo’n jogger, maar als ik me er dan toch toe zet heb ik daar toch liever een muziekje met een bepaald tempo bij.
M: Een bepaald tempo? Geen muziek met onbepaald tempo dus. Staat genoteerd.
F: Ja, noteer jij dat maar.
M: Ik maak mentale notities, Fien. Voor het geval ik opeens overvallen word door de onbedwingbare behoefte om een potje te gaan joggen. Je weet het niet hè. Het leven is volstrekt onvoorspelbaar.
F: Oké, heel goed dat jij je weer op alles voorbereidt. Echt heel goed. Zou ik ook moeten doen.
M: Ja, zou jij echt moeten doen. Ik vind dat jij heel onvoorbereid door het leven heen stapt. Dat móet gewoon een keer misgaan.
F: Zou je denken hè. Benieuwd wanneer dat dan eindelijk eens gebeurt. Tot dusverre stap ik toch er redelijk probleemloos heen, door dat leven.
M: Ja, dat komt nog wel, dat komt nog wel.
F: Maar wat natuurlijk ook zou kunnen, is dat onze stemmen eigenlijk best een lekker ritme hebben. En dat mensen er daarom graag op joggen.
M: Joggen is toch juist wat slomig? Anders heet het hardlopen. Moet ik al helemaal niet aan denken.
F: Maar zou je naar ons luisteren?
M: Nou ja, waarom niet. Als het dan toch moet, kan dat er net zo goed ook nog wel bij.
F: Goed, sommige mensen zitten dus te luisteren, andere mensen joggen te luisteren. En misschien zijn er ook nog wel liggende mensen, en springende mensen, en weet ik veel wat ze allemaal doen. Moeten ze zelf weten.
M: Ja, vind ik ook hoor. Lekker zelf weten. Het is immers jóuw leven, lieve luisteraar.
F: Nou, dat zal de lieve luisteraar fijn vinden om te horen. Maar ze rennen natuurlijk wel nog steeds op het puntje van hun joggingschoenen om te horen wat jij dan nou hebt meegemaakt.
M: Wat ik meegemaakt heb? Nee, dat is wel echt een verhaal hoor.
F: Voor de draad ermee.
M: Het was dus afgelopen woensdag, rond een uur of drie ’s nachts. Denk ik tenminste, want ik had al een tijdje niet meer op de wekker gekeken. Op een gegeven moment hou ik daar heel bewust mee op, om mezelf niet gek te maken. En Har die lag natuurlijk weer lekker te ronken, diep in slaap.
F: Harrold heeft daar geen enkele moeite mee hè, die ligt nooit wakker zoals jij.
M: Nee, dat moet ik helemaal alleen doen. Als we samen wakker konden liggen zou me dat nog wel gezellig lijken.
F: Nou, zeg dat nou niet Mick. Ik lig wel eens wakker met Tibbe, en ik kan je vertellen: daar is weinig gezelligs aan hoor.
M: Nee, kan je dan niet leuk een spelletje spelen ofzo. ‘Ik zie ik zie wat jij niet ziet?’ bijvoorbeeld? Dat lijkt me nou zo gezellig.
F: Ik zie ik zie wat jij niet ziet? Vanuit bed, in het donker? Dan zie je toch helemaal niks?
M: Je ogen wennen toch aan het donker? Wist je dat niet, dat je ogen dat doen? Moet je maar eens op letten dan. Er gaat een wereld voor je open.
F: Nou, ik zal het eens aan Tibbe voorstellen als we weer eens wakker liggen. Maar we kunnen allebei heel slecht tegen ons verlies, dus of het nou per se de nachtrust ten goede komt durf ik toch wel enigszins te betwijfelen.
M: Hoe dan ook, ik lag dus rond een uur of drie ’s nachts in m’n eentje ik-zie-ik-zie-wat-jij-niet-te-ziën, toen het gebeurde.
F: Toen wat gebeurde?
M: Dat wat ik nu ga vertellen. Ja hoor eens, je moet wel een beetje geduld hebben hoor. En me niet steeds onderbreken.
F: Nou ja, het is toch ook mijn podcast?
M: Ja, dat is ook wel waar. Kom maar op dan: nog meer vragen?
F: Die wekker waar je de hele tijd niet op keek hè, kan die ook licht geven?
M: Ah, dat vind ik nou wel een goede vraag. Ja, dat is inderdaad zo’n Sleeping Light-wekker. Op dat moment gaf-ie natuurlijk geen licht, anders zou dat het niet-kijken ook wel bemoeilijken denk ik. Maar een paar uur daarvoor gaf-ie zo’n mooie donkergele gloed - beetje de kleur van je plas als je te weinig gedronken hebt - die heel subtiel geleidelijk in sterkte afnam. En een paar uur daarna, wanneer we op zouden staan, wordt-ie langzaam maar zeker juist weer steeds helderder.
F: Het volgt helemaal de biologische klok van de zonnestand enzo, zoals we ook in de oertijd gewend waren hè.
M: Zeker, en ook al lig ik dus nog steeds af en toe wakker, heeft het me absoluut geholpen hoor. Het is gewoon zo heerlijk wakker worden in dat licht. Meestal ook met de geur van koffie erbij.
F: Die komt niet uit de Sleeping Light-wekker hè.
M: Nee, die techniek hebben de lichtprofessoren nog niet geïncorporeerd. Die koffiegeur komt uit de keuken. Dat is Harrold dan aan het zetten.
F: Die is dan natuurlijk fris en fruitig. Maar niet iedereen heeft een Harrold.
M: Ook zonder Harrold, is het gewoon heel fijn wakker worden met een Sleeping Light-wekker. Veel beter dan met zo’n harde piep.
F: Onderzoek heeft ook uitgewezen dat ze in de oertijd zulke harde piepen niet hadden.
M: Precies, dat gaat dus helemaal in tegen onze biologie.
F: En zo’n licht is juist heel natuurlijk.
M: Supernatuurlijk.
F: Ik zou ook niet meer zonder kunnen hoor. Jammer wel voor de lieve luisteraars dat we geen kortingscode hebben. Of hebben we die toch wel?
M: Toch wel hoor!
F: Oh, wat een goed nieuws zeg. Zou ook wat zijn als we zo hoog over die Sleeping Light-wekker aan het opgeven waren en we zouden niet eens een kortingscode hebben.
M: We zouden dan geen knip voor de neus waard zijn.
F: En wat is die code dan?
M: Lekkerinslaapvallenenweerwakkerwordenmetmickenfineke, allemaal aan elkaar geschreven.
F: Nou, je moet wel een hoop aan elkaar schrijven maar dan heb je ook wat.
M: Zal ik nu weer verder vertellen over wat ik had meegemaakt?
F: Ja Mick, wat gebeurde er nou toen je rond een uur of drie-ish zo wakker lag te liggen, wat dankzij de Sleeping Light-wekker weliswaar aanzienlijk minder frequent gebeurt dan voorheen, maar die woensdagnacht toevallig dus wel.
M: Ja, zal je net zien. Maar jij weet het natuurlijk al.
F: Ik heb het een en ander opgevangen in de wandelgangen, maar ik wil nu het hele verhaal horen. En anders de luisteraars zeker wel.
M: Zouden ze inmiddels al uitgejogd zijn?
F: Welnee zeg, die zijn net net pas een beetje warm aan het draaien.
M: Draaien?
F: Op tempo aan het komen zeg maar.
M: Maar niet teveel tempo hoor, anders is het geen joggen meer. Dan is het hardlopen.
F: Misschien beginnen ze onze podcast altijd joggend, en als het dan écht spannend dreigt te gaan worden slaat dat zomaar om in hardlopen.
M: O jee, en dan hebben wij dat op ons geweten. Dat ze dan thuis komen er aan ze gevraagd wordt - als er iemand is om het aan ze te vragen en anders vragen ze het aan zichzelf - ‘heb je lekker gejogd?’ En dat ze dan moeten zeggen: ‘Nee, het is toch weer hardlopen geworden, door die stomme Mick en Fineke’.
F: Wij zíjn helemaal niet stom.
M: Nee, dat weten zij ook wel. Maar dat zeggen ze dan toch maar gewoon. Eigenlijk zijn ze boos op zichzelf natuurlijk. Zij hebben er immers voor gekozen onze podcast op te zetten.
F: Eigen schuld, dikke hardloopbult.
M: Ja, je kan er bulten van krijgen hè. En nog een heleboel meer. Gelukkig zijn daar ook zalfjes voor. Zoals die van Dokter Knut.
F: En daar hoef je niet eens een hardloper-dan-wel-jogger voor te zijn. Je kan ook gewoon de hele dag stil op een stoel zitten als jij dat wil en dan toch de zalfjes van Dokter Knut opsmeren. Mag allemaal. Het is namelijk overal goed voor, ook als je helemaal niks hebt.
M: Misschien júist dan wel. Ik heb namelijk nooit iets, echt niet, ik ben een soort medisch wonder. En toch vind ik die zalfjes van Dokter Knut bijzonder goed werken. Je merkt het eigenlijk meteen als je ze opsmeert.
F: Meteen hè. Ook weer zo wonderlijk.
M: En je hebt ze in allerlei uitvoeringen. In tubes en in potjes en noem maar op. Staat dan toch prachtig in je badkamerkastje. Of waar heb jij je zalfjescollectie van Knut staan?
F: Ik heb zo’n plankje onder de spiegel, daar heb ik ze uitgestald.
M: Ah, hele prettige plek is dat. Pakt Tibbe daar dan ook wel eens van?
F: Vaker dan me lief is. Maar hij smeert veel te dikke klodders, ik blijf tegen hem zeggen: dun op de huid aanbrengen.
M: Ja, voor je het weet zijn al die prachtig uitgestalde potjes en tubes weer op. Superzonde. Maar bovendien werkt het ook beter als je het dun aanbrengt.
F: Ja, het moet kunnen ademen.
M: Anders hechten die zalfmoleculen niet aan de opperhuid. Of juist teveel, dan heb je er ook niks aan.
F: Echt helemaal niks. Als Dokter Knut ziet hoe zijn prachtige product door Tibbe wordt aangebracht dan draait-ie zich om in zijn, o… leeft Dokter Knut eigenlijk nog?
M: Ja, hij schijnt zelfs naar deze podcast te luisteren. Heb ik mij laten vertellen hè.
F: O, wat een eer zou dat zijn! En Harrold, gebruikt die het ook?
M: Ja, die heb ik goed afgericht hoor. Hij smeert het echt flinterdun op, Knut kan trots op hem zijn.
F: Jammer alleen wel voor de lieve luisteraars dat we geen kortingscode hebben. Of hebben we die toch wel?
M: Nee, hebben we niet.
F: Nou ja, je kan ook niet alles hebben. Zo is het leven, lief luisteraartje. Laat het een wijze les zijn.
M: Àààààààh, wat zijn ze toch lief hè?
F: Allemaal, stuk voor stuk. Maar vertel nou toch eens wat je hebt meegemaakt woensdagnacht. We willen het nu écht weten.
M: Nou, het was dus rond een uur of drie denk ik, of had ik dat al gezegd?
F: Had je al gezegd, maar wel goed om er weer even aan herinnerd te worden.
M: Nou, en ik lag dus zo’n beetje naar de muur te staren. De rechtermuur, want ik lig rechts.
F: En het bed staat in de lengte in de kamer?
M: Nou, dat ligt eraan vanaf welke deur je het bekijkt. Want er zijn twee deuren.
F: Twee deuren? Zo zo, toe maar.
M: Ja, is dat zo bijzonder? Hoeveel deuren heeft jouw slaapkamer dan?
F: Eentje maar. Dat is dus de ingang én de uitgang. Ja, ik leid echt een heel spartaans bestaan, dat blijkt maar weer.
M: Nou ja, iedereen moet het leven leven dat bij hem of haar past, zeg ik maar altijd.
F: Ook wel weer waar, dat jij dat altijd zegt.
M: Hoe dan ook, op die rechtermuur van mijn hoogst luxueuze suite verschenen er opeens allemaal lichten.
F: En die kwamen niet van je Sleeping Light?
M: Nee, want het was nog midden in de nacht hè. Wel opletten Fien. En dan gaat dat licht niet zomaar aan, of ik zou het verkeerd moeten hebben ingesteld.
F: En jij bent juist heel behendig met die dingen.
M: Ja, en de hoek zou ook niet kloppen. Die lichten leken van buiten te komen. En het waren een soort ronde lichtvlekken, die ook ronddraaiden. In tegengestelde richtingen.
F: Wow, wat verwarrend allemaal. Heftig ook wel. En Harrold ronkte gewoon lekker door?
M: Die wel. Ik overwoog even hem wakker te maken, maar ja, wat zouden wat van die lichten ook eigenlijk.
F: Je werd er niet bang van?
M: Helemaal niet bang.
F: Ook niet toen je die geluiden hoorde?
M: Niet op de zaken vooruit lopen, Fineke. Ik weet dat jij het al weet.
F: Oké, maar wat gebeurde er toen dan?
M: Toen hoorde ik geluiden. Een soort gezoem.
F: Als van muggen?
M: Nee, meer als een wasmachine.
F: Je had toch niet de wasmachine aan laten staan?
M: Lieve schat, wat denk je nou. Als ik die vergeten was uit te zetten voor het slapengaan, was die tegen die tijd toch allang klaar met draaien.
F: Nou ja, ik stel ook alleen maar vragen. Ik vind het gewoon zo mysterieus allemaal. En fascinerend.
M: Hoogst mysterieus en fascinerend. Ik wilde dus toch maar uit bed stappen om te kijken wat er allemaal aan de hand was.
F: Nog steeds niet bang?
M: Nog geen fractie, echt niet. Zelfs niet toen ik ze daar zag staan.
F: Wie zag staan?
M: Ja, jij weet het allemaal. Die mannetjes dus. Of wezentjes, of hoe je het ook maar wil noemen. Met van die pakjes aan.
F: Jeetje, wat intens. Vreemde wezentjes met pakjes aan, zomaar in je tweedeurige slaapvertrek.
M: Nou, maar toen moest het eigenlijk allemaal nog gaan beginnen hoor.
F: Is dit misschien niet een te groot verhaal dan eigenlijk? Kunnen we het niet beter uitsmeren over meerdere afleveringen, ook om de hele anekdote recht te doen.
M: Ja, ik vertel hier natuurlijk al een zeer beknopte versie, dat snap je wel.
F: Is ook iets waar wij nu eenmaal heel erg goed in zijn, bondige samenvattingen.
M: Absoluut. Maar je hebt ook wel gelijk dat het wat zonde zou zijn als ik dit nu zo tussen neus en lippen door af zou raffelen. Die joggers zullen inmiddels toch ook wel uitgejogd zijn.
F: Die moeten nu vast hun cooling down ingaan. Dat kan niet hoor, met zo’n spannend gesprek. Die raken daar helemaal in de war van, fysiologisch en weet ik veel.
M: Nou, dan hoop ik wel dat ik komende week niks meer meemaak.
F: Ja, anders is het voor helemaal niemand meer bij te houden. Voor ons niet, voor de luisteraars niet, voor Dokter Knut niet.
M: Nee, voor hem zou het echt niet te doen zijn, arme Knut. Valt onmogelijk tegenop te smeren.
.
F: Gelukkig maak ik nooit wat mee.
M: Dat scheelt dan inderdaad wel. Ik zou zeggen: houden zo.
F: Ik doe m’n best, Mick. Nou, volgens mij kunnen we dan nu dag gaan zeggen.
M: Zal ik eerst?
F: Doe jij dat maar.
M: Oké, komt-ie dan: ‘Dag!’
F: Nu ik: ‘Dagdag!’
M: Waarom zei je twee keer ‘dag’?
F: Weet ik niet, kwam er zomaar uit.
M: Beetje vreemd wel, maar moet kunnen. Nou, anders zeg jij nu nog één keer ‘dag’ en ik nog twee keer en dan staan we weer gelijk. Anders raakt de luisteraar in de war.
F: En die heeft het al zo moeilijk, met z’n cooling down.
M: Precies. Nou, ga jij dan maar.
F: Oké. ‘Dáááááááááááááááááááááááág.’
M: Dat was wel weer een erg lange, maar vooruit. Kan toch niemand vat krijgen op wat er allemaal uit jou komt. Houd ik het ter compensatie maar weer eens lekker kort, want zo ben ik. Dussssssss….: ’Dà-dàg!’
Een ziekelijk gesprek
Dit is het tweede deel uit de serie De Podcastdialogen, waarin ik uit het overweldigende podcastaanbod de meest inspirerende gesprekken selecteer, speciaal voor u, omdat ik zo ben. Lees het eerste deel hier terug.
Olle: Welkom bij mijn wekelijkse podcast Het Zieke Leven, waarin we de zieke en minder zieke kantjes van het leven doorspreken. Vandaag heb ik wel een heel bijzondere gast die ik al heel lang in de show wilde hebben. We hebben elkaar een paar keer ontmoet op lezingen en performances, je weet wel hoe dat gaat. En de laatste keer dat ik hem zag, afgelopen augustus in Leuven was dat, wist ik het zeker: deze dude móet ik strikken. Dat was toen je die voordracht over dat koekje hield, weet je dat nog?
Berend-Jan: Over m’n saaie jeugd in Katwijk?
O: Je saaie jeugd in Katwijk, de dialectiek van Hegel, alles kwam voorbij. Alles kwam samen in dat ene moment, in dat koekje. Het raakte mij heel diep. Echt heel diep.
B: Dat vind ik mooi om te horen.
O: Ik zou je nu kunnen vragen om dat verhaal na te vertellen, om dat moment met de luisteraar te delen. Maar ik weet nu al dat je daar nee op zou zeggen. En dat spreekt zo enorm voor je.
B: Het koekje is iets van toen, van daar.
O: Het is bovendien ook helemaal niet de manier waarop ik wil werken. Ik wil open het gesprek instappen. Alsof we elkaar nu voor het eerst spreken. Daarom ga ik je juist heel expliciet vragen dat verhaal níet te vertellen, dat koekje lekker voor jezelf te houden.
B: De luisteraar had erbij moeten zijn.
O: Ja, ik vind dat ook eigenlijk wel de verantwoordelijkheid van de luisteraar. Om zijn of haar of hen leven, en alle keuzes die daarbij komen kijken, zelf invulling te geven. Deze podcast is niet om ze aan het handje te nemen. Júist niet.
B: Daar zitten we hier niet voor.
O: Ik kan soms echt kwaad worden op de luisteraar hoor, als je het echt wil weten. Deze podcast aanzetten en dan denken dat het ze maar allemaal aan komt waaien. En wij al het harde werk doen, zeker? Wat denken ze wel niet?
B: Stelletje bloedzuigers zijn het.
O: In zekere zin zeker ja. Maar laat ik je eerst eens fatsoenlijk voorstellen. Of heb je dat liever ook niet?
B: Ik twijfel. Wat voegt het toe?
O: Weet ik niet, weet ik niet. Daarom vraag ik het ook. Misschien stel ik de vraag vooral wel aan mezelf.
B: Maar wil je dat ik je help bij het beantwoorden van de vraag?
O: Weet ik ook niet, vind ik lastig. Want ik zekere zin gebruik ik je dan ook, terwijl ik juist ook jouw autonomie zo mooi intact wil laten.
B: Die autonomie kan wel tegen een stootje hoor.
O: Weet je wat? Anders zeg ik iets heel korts, iets heel nietszeggends. Waarmee ik dus duidelijk niks weggeef, maar wel de suggestie van een kapstokje op tafel leg.
B: Oké, ga je gang.
O: Nou, dan beschouwen we het voorafgaande als een cold open en is dit waar de opening sequence instart, om het zo maar te zeggen. Komt-ie: Welkom bij mijn wekelijkse podcast Het Zieke Leven, waarin we de zieke en minder zieke kantjes van het leven doorspreken. Vandaag heb ik wel een heel bijzondere gast die ik al heel lang in de show wilde hebben: Ik zit hier met Berend-Jan Xantippe. En als iemand de zieke kantjes van het leven belichaamt, dan is het Berend-Jan wel.
B: Dankjewel.
O: Ja, dat vind je fijn om te horen? Je kan je daar, in alle relatieve nietszeggendheid, mee vereenzelvigen?
B: Nou, ik zou willen stellen dat als niemand ziek van je werk wordt, je je wel ernstig af moet vragen waarom je jezelf kunstenaar zou willen noemen, waarvoor je het dan eigenlijk nog doet. En als je er zélf nooit ziek van wordt, dan kan je beter in een tuincentrum gaan werken. Of weet ik veel wat die mensen doen.
O: Er zijn ook wel eens mensen aan jouw werk gestorven, toch?
B: Nou, in alle bescheidenheid moet ik wel erkennen dat er wel al het een en ander met die mensen aan de hand was hoor. Maar mijn werk mag zeker de credits krijgen voor dat laatste duwtje.
O: Ik hoor dankbaarheid in je stem.
B: Het is gewoon een prachtig gevoel om een radartje te mogen vormen in dat geheel. Een knus gevoel, zou ik bijna willen zeggen. Zoiets als naakt onder een dekentje liggen.
O: Jij hebt Osama bin Laden ook wel ‘de grootste kunstenaar van de 21e eeuw’ genoemd.
B: Daar ontstond een hoop heisa over, wat ik echt totaal niet begrijp. Ook weer zo’n teken van deze tijd, vind je niet, om alles in hokjes te plaatsen. Ik geef geen ethisch oordeel over zijn werk hè. Moeten anderen maar doen als ze dat zo graag willen, voor mij is dat nou volstrekt oninteressant. Het gaat mij puur om de artistieke waarde ervan. Als het aan de verbeeldingskracht is om de werkelijkheid te penetreren, dan zie ik Osama toch wel als een soort Michelangelo avant la lettre.
O: Wanneer, als ik dat tenminste vragen mag, wist jij dat je een kunstenaar was?
B: Je mag me alles vragen, Olle. Of ik antwoord geef is een tweede.
O: Dat waardeer ik enorm, Berend. Zou je dan antwoord willen geven op deze vraag?
B: Wat was de vraag?
O: Wanneer je wist dat je kunstenaar was.
B: Ja, dat ligt natuurlijk maar net aan je definitie van weten. Weten kan ook een gevoel zijn hè.
O: Ik wil zo naar het gevoel. Eerst wil ik weten hoe het met het weten zit.
B: Bedoel je echt een soort inzicht? Een realisatie? Is dat waar je naar op zoek bent?
O: Ik weet nooit echt wat ik zoek. Dat vind ik nou weer niet zo interessant. Het gaat me erom dat je opeens iets vindt. En dat je dan weet dat dat was wat je, blijkbaar, al die tijd zocht. Daarom vind ik het ook zo waardevol om deze gesprekken te voeren. Het is alsof ik elke keer weer in een andere cadeautjeswinkel wakker word.
B: Dus deze week ben ik jouw cadeautjeswinkel.
O: Nee, wacht. Ik moet mezelf corrigeren. Want hoor je nou wat er gebeurt? Ik vind dat zo mateloos fascinerend hè, dat ik met die cadeautjeswinkelmetafoor eigenlijk meteen weer in dat kapitalistische discours gevangen blijk.
B: En mij reduceert tot iets wat je uit kan pakken.
O: Ik ben er echt een beetje misselijk van, merk ik nu. Maar ik kan die misselijkheid ook meteen weer beschouwen voor wat het is. Iets om te onderzoeken, iets wat ons mogelijk verder brengt.
B: Tof om jou bij dat onderzoek te mogen begeleiden. Ik vind dat echt een onwijze eer.
O: Oké, laten we het dan even een stapje verder brengen, als ik zo vrij mag zijn. Als ik hier nu zou overgeven, en geloof me, ik zit echt op dat randje, maar zou dat dan kunst zijn? Hoe zie jij dat, Berend-Jan? Of vind je dat een te makkelijke vraag? Zeg het gerust hè, als je het een te makkelijke vraag vindt.
B: Ik weet niet of ik die makkelijkheid erg vind; misschien breekt die makkelijkheid in haar makkelijkheid juist wel iets ongenadig open. Dus ja, ik ga antwoord geven op de vraag of jouw kots kunst kan zijn. Misschien is het dat in dat ene moment dat het in de lucht hangt. Zodra het hier de vloer raakt, is het weer wat het is. Iets waar je wat mee moet, niet iets waar je wat mee kan.
O: En als jij daar nou doorheen zou rollen?
B: Kan ik doen, heb ik natuurlijk wel eens eerder gedaan. In hoeverre dat interessant is voor een podcast, dat kan jij dan weet beter beoordelen.
O: Júist interessant, geloof me maar. Kijk, als je het ziet dan wordt het natuurlijk meteen heel erg ingevuld. Maar de geluiden die dat rollen maakt, daar kan je heel veel kanten mee op. Dat is waar mogelijkheden ontstaan, waar het spannend wordt.
B: Nou, laten we het dan maar doen. Ben wel toe aan een beetje actie, uiteindelijk ben ik toch een maker hè. Het resultaat kunnen we altijd achteraf beoordelen. Wil je dat ik het naakt doe?
O: Ik denk dat het gekraak van jouw leren jasje juist wel mooi met de drab zal contrasteren, maar dat laat ik verder over aan jouw artistieke visie. Geef me even een minuutje, als ik er twee vingers insteek dan helpt dat meestal wel.
B: Neem je tijd. Het moment dient zich aan wanneer het er klaar voor is. De luisteraar zal dat ook begrijpen.
O: De luisteraar moet dat maar begrijpen. Ze zijn het eigenlijk niet waard om dit mee te mogen maken, maar geven is wat we nu eenmaal doen. Geven, geven, geven… Letterlijk en figuurlijk als je per se dat onderscheid zou willen maken.
B: Nou, geef ons dan maar alles wat je in je hebt.
Een goed gesprek
Jurre: Zo, daar gaan we dan. Even doorbijten man.
Lennart: O, dit is echt… Jezus…
J: Focking koud hè. Ja, dat is het hele idee van een ijsbad. Ga maar gewoon zitten. Anders kom je er niet doorheen.
L: K-k-k-k-kgggggrrrr
J: Rustig doorademen, Lennart. Rustig doorademen. Stabiliseren, normaliseren, harmoniseren, zegt mijn leermeester Jappe Bruinkolk altijd. Ik ben hier, richt je maar op mij, op het gesprek.
L: W… w… wordt dit nou eigenlijk al opgenomen?
J: Ja, het hele proces komt in de podcast. Dat is het concept. Echt kicken hoor, de mensen horen jou dus gewoon een ander mens worden. Of jezelf worden, het is maar hoe je het bekijkt. En ze zien het eventueel ook, want podcasts - interessante ontwikkeling vind ik dat! - worden tegenwoordig steeds vaker bekeken. Als je dat ongemakkelijk vindt kan ik in de eindmontage wel gaan blurren. Niet dat er bij jou veel te blurren valt, maar daar komen we denk ik zo nog wel over te spreken.
J: Mmmmm
L: Maar je hebt de eerdere afleveringen van Badgasten dus niet beluisterd?
L: W.. w.. wilde er open instappen.
J: Ah, daar ben ik nou zo jaloers op, die open houding van jou. Ik zou dat dus echt never nooit niet kunnen. Ik zou echt álle afleveringen van deze podcast maniakaal verslinden. Ik zou denken: wat moet die Jurre van me, met z’n praatjes en z’n ijsbad? Is-ie helemaal gek geworden ofzo, hahahahahahaha.
L: Ik had er denk ik wel vertrouwen in ofzo?
J: Maar dat is nou zo focking interessant, dat verschil tussen ons. Ik wil dat vertrouwen dus ook. Het is echt iets waar ik aan probeer te werken, maar het is zo hardnekkig. Dat altijd maar knagende basisgevoel dat er iets niet deugt. Heb ik echt met de kleinste dingen hoor. Dat ik weer wakker word naast een of ander beeldschoon meisje, en dat ik alleen maar kan denken: sta jij er wel bij stil dat het daglicht dat al jouw heerlijke vormen accentueert, afkomstig is van een ster die as we speak aan het uitdoven is? Denkt zo’n Babette, of Claudia, of hoe zo’n kind ook maar mag heten, waarschijnlijk helemaal niet over na. En gelijk heeft ze! Wat moet je ook met zulke informatie. Het staat het leven in de weg. En leven is toch wat we uiteindelijk allemaal willen, toch Lennart. Volgens mij begint je lichaam al te stabiliseren, niet? Volgt je geest ook al een beetje?
L: Ja, het gaat denk ik nu wel.
J: Belachelijk onderscheid natuurlijk, lichaam en geest. Heel erg Westers. Maar ja, we zijn nu eenmaal Westers. Hoezeer je je ook in Boeddhisme, Zen en Tantrisme verdiept, in the end blijven we calvinistische boerenpummels. Zou hypocriet zijn dat te ontkennen.
L: Heb jij het dan nu helemaal niet koud?
J: ‘Koud’, dat is ook weer zo’n plakkertje hè. We zijn constant bezig overal plakkertjes op te plakken. ‘Dit is warm, dit is koud.’ Wat levert al dat gecategoriseer ons nou eigenlijk op? Maar ja, het proces dat jij nu doormaakt heb ik natuurlijk ook doorgemaakt. De eerste paar keren dat ik hierin stapte dacht ik dat ik doodging. Een zalig gevoel. Toen wist ik ook meteen dat ik hier meer mee moest doen. Ik wilde dat gevoel niet voor mezelf houden. Dat is dat gekke van mij hè, ik moet altijd maar alles delen. Een deler is wat ik ben.
L: Dus vandaar deze podcast?
J: Wacht, even de metertjes checken hoor. En zorgen dat er geen vocht opkomt natuurlijk, het blijft een sensitief proces. Ja, we gaan helemaal lekker hoor. Wel graag een beetje naar rechts blijven praten Lennart. Anders krijg je interferentie in de treblefrequenties met het koelsysteem. In algemeen beschaafd Nederlands: dan verstaat men er geen REET van. Maar wat was je vraag ook alweer?
L: Nou, of…
J: O ja, leuk dat je daar naar vraagt. Dit ijsbad was een impulsaankoop, na een nachtje koortsachtig internetten. Je kent het wel. Stonden die mannen de volgende dag op de stoep. Had er niet eens over nagedacht dat er in de badkamer helemaal geen plek is. Vandaar dat we nu in de keuken zitten. Heeft ook wel wat hoor, als ik m’n arm een beetje strek kan ik zo een lekker biertje pakken. Die hoeft dan niet eens koud te staan natuurlijk, je hoeft hem alleen maar even onder te dompelen. Wil jij dan een lekker biertje?
L: Nee dankje, ik drink niet meer.
J: O ja natuurlijk, daar gaat je laatste boekje over. De delerium-paradox. Heb ik echt ademloos zitten lezen. Gaan we het zo natuurlijk nog uitgebreid over hebben. Wel echt ongevoelig dat ik je dan bier aanbied zeg. Vind jij dat ook ongevoelig van mij?
L: Het maakt niet uit.
J: Nou ja, ik vind dat het juist wél uitmaakt. Ik vraag me dan gewoon heel erg af hoe mijn denken werkt. Mijn hart staat voor iedereen open, daarbij maak ik waarschijnlijk te weinig onderscheid. Zal daardoor vast ook komen dat ik bijvoorbeeld heel erg tegen discriminatie ben. Maar in dit soort situaties kan het echt verkeerd overkomen. En ik vind het ook wel goed dat de luisteraars dat ook meekrijgen en daar dan weer van leren.
L: Van mij mag je gewoon bier drinken hoor, ik heb daar geen problemen mee.
J: Nee, ik doe lekker met jou mee. Ook wel eens goed voor mij. En de middag is nog jong.
L: Oké.
J: Maar nog even over jouw geslachtsorgaan hè. Al vind ik ‘orgaan’ dan wel weer wat te gezwollen klinken. Onder normale omstandigheden mag-ie al niet echt een naam hebben, maar nu moet-ie wel echt een weg naar binnen hebben gevonden.
L: Ja, ach…
J: Niks om je voor te schamen hoor. Zelfs mijn apparaat is nu in totaal verschrompelde staat. En ik denk dat dat wel iets essentieels is dat dit bad me brengt, dat dit bad me leert: totaal egoverlies. Die maatschappelijke druk van masculiniteit, of wat masculiniteit dan ook maar mag zijn, even van je afwerpen. Dat gewicht niet meer mee te hoeven torsen. Gewoon zijn.
L: Over mannelijkheid heb ik ook een boekje geschreven.
J: Baardtranen. Ja, ik ken al jouw titels uit mijn koppie. Stukje research, vind ik belangrijk. Ook weer ademloos gelezen. Het heeft me echt aan denken gezet, dat mag je gerust weten Lennart-de-Pennart. Ik leer zoveel van jou! Daarom heb ik je natuurlijk ook uitgenodigd, om dat te mogen delen. Om jóu te mogen delen.
L: Dankje. Dat werk is uiteraard fictie, maar de protagonist heeft wel raakvlakken met mij. Ook veel te lang over zich heen laten lopen door z’n ex. Maar wij zijn nu eenmaal opgevoed met idealen van mannelijke onderdanigheid.
J: Laten we onze moeders dankbaar zijn, het heeft ook mooie dingen gebracht. Wat is nou sexiër dan een sterke vrouw?
L: Vind ik ook heel erg. Maar nu heb ik Rosetta, die oog heeft voor mijn behoeftes, voor mijn kwetsbare kant. Zij leert me heel erg mezelf te accepteren.
J: Wow! Dat is zo’n onwijs waardevol inzicht. Echt mooi dat je dat zegt. En, dat mag je gerust weten, ik ben jaloers. Dat wil ik ook.
L: Ik gun het jou ook heel erg.
J: Het lijkt me zo focking verlichtend om eens wakker te worden naast iemand die meer in mij ziet dan alleen maar mooie praatjes en een gigantische pik. Ja, ik zeg het maar zoals het is Lennart. Dit is immers míjn podcast.
L: Doe mij toch maar zo’n biertje.
J: Weet je het zeker? Want dan doe ik met je mee hoor.
L: Ja, ik ben nu immers toch een ander mens. Dit bad doet me echt goed.
J: Zei ik toch? Je keert heel erg naar de essentie. Mensen leefden vroeger ook op toendra’s. Je lichaam herkent dat oergevoel meteen, die atomen zijn zo focking flexibel. Ik heb een Koppige Kerel voor je, dat is echt een heel schalks bokje met gemberaccenten. Staat hier precies lang genoeg op het aanrecht te gisten, alsof het zo had moeten zijn. Wow. Lijkt me een onwijze eer om die eerste gisting met jou te mogen delen.
L: Het klinkt misschien gek, maar ik krijg opeens heel erg zin om hout te gaan hakken.
J: Dan doe je dat toch zo gewoon? Ik heb buiten een vuurkorfje staan, die kan wel wat blokjes gebruiken hoor. Gaan we ons daar na deze podcast aan warmen. Kunnen we eventueel ook opnemen, en aanbieden op de socials als bonusmateriaal.
L: Er is nog wel iets waar ik zin in heb, maar dat is denk ik wel écht heel gek.
J: Niks is hier gek Lennart. Dit is míjn podcast, en niks is hier te gek. Waarom niet? Omdat ik het zeg.
L: Oké, fijn dat je dat zegt. Heel fijn. Nou ja, het zit dus zo… Zou ik, ik zou… Zou ik zo even je piemel mogen aanraken? Heel kort maar hoor, gewoon voor het gevoel. Dat ik ook weet hoe het is.
J: Lennart, ik dacht dat je het nooit zou vragen. Be my guest.
Teststraat
Omdat ik op vakantie zou gaan, moest ik me laten testen. Voor het gegeven adres stonden twee jongens van een jaar of zestien in trainingspakken. Ik weet niet of je dat een rij kan noemen, maar ik sloot me toch maar achter ze aan.
‘Hé broer, wil jij je testen voor een event?’ vroeg de voorste.
‘Nee,’ zei ik, ‘voor een reis.’
‘Ah,’ zei de achterste, ‘die doen ze hier niet meer. Dan moet je naar… wat was het adres ook alweer?’
‘Voorste Achtergracht 113,’ hielp de voorste.
‘Dat is vreemd,’ zei ik, ‘want ik heb toch echt dit adres doorgekregen.’
‘Je bent niet de eerste,’ zei de achterste.
‘En je zal ook niet de laatste zijn,’ grijnsde de voorste moedeloos.
Ik wist niet of dat geruststellend bedoeld was, maar ik hield mijn telefoon omhoog om ze mijn mail te laten zien.
‘Waarom heb ik daar dan geen bericht over gekregen?’
‘Het systeem kan dat niet aan,’ zeiden de jongens in koor.
‘Ik ga toch even binnen informeren, want als ik nu naar de Voorste Achtergracht ga kom ik te laat.’
‘Niet naar binnen gaan,’ zei de voorste jongen, ‘dat hebben ze liever niet. Daarom staan wij hier. Ik zou maar gaan racen, dan moet je het redden. Waar sta je geparkeerd?’
‘Ik ben met de fiets,’ zei ik, ‘En ik wil toch echt even binnen navragen. Ik vind het een rare zaak.’
‘Geloof je ons niet?’ zei de achterste.
‘Is het vanwege onze huidskleur?’ zei de voorste.
‘Natuurlijk geloof ik jullie, maar ik vind het gewoon wat merkwaardig.’
Kordaat stapte ik langs hen heen. Ik vroeg me af waarom ze zo achter elkaar stonden, als ze geen rij moesten vormen.
‘Dit is de laatste die we binnen laten hoor,’ zei de voorste. Het klonk alsof hij dat vaker had gezegd.
Het meisje aan de balie scande de code in m’n mail. Er leek niets aan de hand te zijn. Toch zei ik voor de volledigheid: ‘Er staan jongens buiten, die zeggen dat ik naar een ander adres zou moeten, echt heel mal.’
‘Oh,’ keek het meisje verstoord op, ‘u komt niet voor een event?’
‘Nee,’ zei ik, ‘voor een reis. Maar ik heb dit adres gekregen, kijk maar in de mail.’
‘Ja,’ zei ze, ‘dan moet u naar de Voorste Achtergracht. Foutje in het systeem. Waar staat u geparkeerd?’
‘Ik ben met de fiets,’ zei ik, ‘ik ga dan te laat komen. Ik vind dit toch echt merkwaardig.’
‘Ik geef ze wel even een seintje dat u wat later bent.’
‘Oké, en wat was het adres ook alweer?’
‘Voorste Achtergracht 113.’
‘Ja,’ zei de voorste jongen, die zijn hoofd door de ingang had gestoken, ‘dat zei ik toch. Geloof je me nu?’
‘Ik geloofde je wel,’ zei ik, ‘ik vind het alleen wat merkwaardig.’
‘Ik vind het merkwaardig dat er zo weinig vertrouwen is in deze maatschappij,’ zei hij.
‘Het menselijk contact verdwijnt waar je bijstaat,’ zei de ander.
‘Ik… ik moet racen.’
‘Ja, ik zou maar opschieten als ik jou was,’ hoorde ik achter me.
Zonder mijn blik van Google Maps te houden, kwam ik driemaal bijna onder een auto terecht. Het laatste stuk van de route bestond uit bouwplaten over opengebroken straten, deze leidden naar een statig pakhuis. Ik checkte het een paar keer, dit leek toch echt het adres te zijn. Toen zag ik op de muur een piepklein pijltje, met daaronder ‘Teststraat’. Ik drukte op de intercom en de deur ging traag open. Binnen scheen een vreemde verlichting, waardoor ik nauwelijks de pijltjes aan de muren kon ontwaren. Ik moest twee trappen op, daarna een lange gang door, toen nog een trap omhoog en daar kwam ik uit op een massieve eikenhouten deur met een papiertje erop. Met sierlijke letters stond er ‘kloppen graag’ geschreven. Dus deed ik dat maar.
Enige tijd stond ik daar. Ik wilde me net omdraaien toen een gebocheld mannetje opendeed. Hij had een laboratoriumjas aan die ooit wit moest zijn geweest.
‘Zo jongeman,’ zei hij, ‘kom jij lekker een testje doen?’
‘Ja,’ zei ik, ‘een kwartier geleden had ik een afspraak op een andere locatie, maar ik werd hier naartoe gestuurd.’
‘Geeft helemaal niks, geeft helemaal niks. Maar je klinkt wat buiten adem, dat lijkt me geen goed teken. Wil je dan misschien een kopje thee?’
‘Nee dank u,’ zei ik, ‘een test is voldoende. Wilt u mijn barcode niet scannen?’
‘Codes interesseren me geen sikkepit,’ zei de man, ‘ik zie dat ik jou vertrouwen kan, daar heb ik oog voor. Ik zal eens kijken wat ik in huis heb. Ben je al gevaccineerd?’
‘Ja, voor de helft.’
‘Welke helft?’
‘Ik heb één van mijn twee vaccins gehad, een paar weken geleden. En overmorgen ga ik op reis, vandaar dat ik getest moet worden.’
‘Zo zo, op reis. Dat doet maar. Vind je het hier dan niet leuk genoeg?’
Ik wist niet zo goed wat ik zeggen moest. Nooit had ik zo verlangd naar een stok in m’n neus, maar dit leek nog wel even te kunnen duren. Gelukkig leek de man geen antwoord af te wachten, hij bestudeerde de inhoud van een lange la.
‘Ik heb iets nieuws voor je, een primeur,’ zei hij. ‘Maar ik moet even weten in welke arm je geprikt bent. Links of rechts?’
‘Links, geloof ik,’ zei ik. ‘Doet dat er dan toe?’
‘Natuurlijk doet dat ertoe,’ zei de man. ‘Álles doet ertoe.’
Hij trok een andere la open.
‘Ik heb hier nog wat wel wat leuks voor je, jongen. Iets nieuws. Een primeurtje. Lijkt het je niet wat om een heuse pionier te zijn?’
‘Nou, als ik er maar mee op reis kan,’ zei ik.
‘Precies,’ zei de man, ‘zo klaar als een klontje. Jij bent een reiziger, een avonturier. Deze nieuwe test heb ik zelf ontwikkeld, het verkeert nog in een experimentele fase. Maar ja, het is dan ook een test.’
‘Nou, ik weet niet of dat dan zo’n goed idee is,’ zei ik.
‘Natuurlijk is dat een goed idee,’ zei de man, ‘jij zal hier heel veel mensen een dienst mee bewijzen. Maar als je het niet vertrouwt, wil ik best Hugo even voor je bellen.’
‘Hugo?’ zei ik.
‘Hugo, ja. Die man heeft het aardig druk, neem dat maar van mij aan, maar als ik hem bel neemt hij meteen op. Zo is hij wel hoor.’
‘Ah,’ zei ik, ‘dat is mooi. Maar hoe werkt die nieuwe test?’
‘Zie je: toch die nieuwsgierigheid. Dacht ik het niet. De nieuwe test is met het gebruikelijke stokje, maar dan via de gehoorgang. Wat weinig mensen weten is dat het maar verwaarloosbare deeltjes van het virus zijn die zich in de keel ophouden. Nee, je oortjes, dáár willen ze wezen. Nog effectiever zou zijn via de poeperd, maar daar werk ik nog aan. Hele nachten breng ik hier door, je ziet het vast aan de zakken onder m’n ogen. Ik ben minder oud dan je zou denken hoor.’
‘Is dit het?’ zei ik afwezig, starend naar een pot die de man op tafel had gezet.
‘Nee, dat is rozenbotteljam. Het moet nog een poosje fermenteren, maar begint al aardig op smaak te komen. Wil je een likkie?’
‘Nee, dank u,’ zei ik.
‘Zal ik Hugo dan bellen? Hij zal trots op je zijn, hoor. Eindelijk iemand die niet aan het klagen en aan het mieren is, maar zich opwerpt om veranderingen te brengen. Zal hem echt goed doen om dat te horen. Hij heeft het ook niet makkelijk gehad hè.’
‘Nee, dat is niet nodig. Ik wil gewoon op reis kunnen. Doe dat stokje dan maar in m’n oor.’
‘Prachtig,’ zei de man. ‘Gewoon doorpakken. Daar houd ik van.’
Hij viste een katoenen zakdoek uit z’n broekzak.
‘Maak hier je oor maar mee schoon. Je linker hè, want je bent rechts gevaccineerd. Balans is de sleutel. Ga ik even het stokkie op maat knippen.’
Toen ik met een suizend gevoel in mijn hoofd buiten kwam, zag ik dat het donker begon te worden. Het had wat voeten in de aarde gehad, maar ik had dan maar mooi m’n test gedaan. Nog even wachten op mijn QR-code en dan was ik helemaal klaar om te gaan. Ach, vakantie, wat was ik daar toch aan toe.
Bijna kerstvakantie
Nog vier nachtjes slapen en dan begint de kerstvakantie. De stress slaat me om het hart als ik er alleen maar aan denk. Dankzij corona zijn de sociale verplichtingen dit jaar weliswaar tot een minimum beperkt, maar daarvoor in de plaats komt zo’n morele druk tot ontspanning dat elke verspilde minuut als diefstal van de eigen zielenheil voelt. Ik ben het aan mezelf verplicht het beste uit die vrije tijd te halen. Natuurlijk moet er ruimte zijn om met een zak kerstkransjes op de bank langs datingshows te zappen, maar daarnaast is zo’n zee van tijd natuurlijk ook een uitstekende gelegenheid mij nou eens in de Grote Russen te verdiepen en de elektrische piano die in de gangkast stof staat te happen eindelijk fatsoenlijk in gebruik te nemen. Ik moet zowel oppervlakkig ontspannen als esthetisch ervaren, het ene overdag en het ander ’s avonds, of omgekeerd juist, voor de afwisseling. Daarnaast moet ik me ook kunnen vervelen als een kind en zo tot briljante inzichten komen, want als je dat niet in de vakantie doet wanneer moet je het dan doen. Dit alles afgewisseld door katers die in aperitiefjes overlopen en ommetjes maken door de buurt, waarmee de buurt weer met heel andere ogen bekeken wordt, want dat is wat ommetjes in de vakantie met je buurt doen. En het is natuurlijk niet zomaar vakantie, het is kerstvakantie, het jaar wordt afgesloten en daarom dient er ook nog gereflecteerd te worden. Er moeten lijstjes gemaakt worden van beste boeken, films, muziek, radioreclames, nieuwe scheldwoorden en appelbeignets. En natuurlijk moeten de lijstjes van anderen met de meest zorgvuldige onderbouwing bekritiseerd worden. Om dit goed te kunnen doen, heb ik dan nog wel een aardige stapeltje scheldwoorden, boeken, films en muziek in te halen. Sommige films kunnen ook wel gerust met het geluid uit bekeken worden, zodat ik tegelijk naar gemiste muziek kan luisteren. Met een paar te vergelijken appelbeignets op schoot erbij, kan er zo toch het nodige gecombineerd worden. Er moeten natuurlijk sowieso schema’s komen, duidelijke dagindelingen, om al deze activiteiten behapbaar te maken. Anders zou ik nog stress krijgen en dat is natuurlijk niet de bedoeling in de vakantie. Haha, het idee alleen al. En natuurlijk moet er ook in bredere maatschappelijk-filosofische zin gereflecteerd worden. Het was me immers het jaartje wel, dat 2020. Misschien moet ik een conference schrijven en opnemen, dat kan toch bijzonder interessant zijn voor het nageslacht, eigenlijk ben ik het aan ze verplicht. Of gewoon een simpel essay, mag best puntsgewijs, voor mijn part een smakelijke mindmap. En er moet natuurlijk ook vooruitgeblikt worden, want wat ons allemaal in 2021 te wachten staat zal toch ook niet mals zijn. Deze roaring twenties zijn nog maar net begonnen en zullen wel de geschiedenisboekjes ingaan als een periode waar je maar net bij moet zijn geweest. En laten wij er nou net bij zijn! Zal je ook net zien. Zo’n kans mag je toch niet laten lopen. En dan moet ik verdomme nog een boek schrijven ook. Want ja, helemaal vakantie heeft een schrijver natuurlijk nooit. Mijn andere werkzaamheden gaan alleen even met winterslaap, zodat mijn ware aard mag ontwaken uit de dagelijkse sleur van het kapitalistisch systeem en datgene te doen waarvoor ik hier op aarde ben neergezet. Dat eeuwige boek, die moeilijke tweede, waar ik in de bijna vijf jaar dat ik er nu aan sleutel al tientallen keren opnieuw aan begonnen ben. Natuurlijk, al dat weggegooide werk was noodzakelijk om tot het briljante einderesultaat te komen dat er uiteindelijk komen zal, dat zal deze kerstvakantie dan toch ook eindelijk bewijzen. O, en bordspelletjes. Laten we de bordspelletjes niet vergeten. Het hele jaar door hebben we gezegd dat we met de kerstvakantie eindelijk die tientallen bordspelletjes in gebruik gaan nemen die we hebben gekregen omdat we niet wisten wat we moesten vragen en toen bedachten dat we helemaal geen bordspelletjes hebben en dat toch wel een erg ongezellig idee vonden. Al die onuitgepakte bordspelletjes hebben natuurlijk op deze kerstvakantie liggen te wachten, daar kunnen we echt niet meer omheen. En de plintjes. Eindelijk een gelegenheid om de plintjes te leggen, wat zal dat lekker voelen. Alsof we na twee jaar eindelijk écht hier wonen. Eigenlijk ontbreekt dan alleen nog maar een welkomstmat, kopen we die toch ook meteen even. Zo eentje met zo’n hele gekke tekst, waar inbrekers zo lang over moeten nadenken dat hen vervolgens de lust om iets mee te nemen helemaal vergaat. Lachen, joh. En dan meteen maar even de berging uitmesten. Kan prima in een ochtendje. Hup, even die doos met racistische prentenboeken naar de kringloop. Meteen een geinig fietstochtje, als ik via het park ga pak ik gelijk een stukkie natuur mee. En laat ik niet vergeten dat mijn dochter vast wat vriendjes te logeren krijgt, want dat hoort natuurlijk ook bij de vakantie. Die blijven dan veel te laat wakker met cola en chips en alles wat normaal helemaal niet mag en dat nu wel mag omdat het toch immers kerstvakantie is. Misschien laat ik ze wel midden in een film schrikken met een kerstmuts op, met van die belletjes, vindt mijn dochter natuurlijk hartstikke gênant. En dan natuurlijk onder het genot van zelfgestookte glühwein lekker knus mijn administratie bijwerken. Al is het maar van 2016, dat is toch een mooi begin. De rest komt dan wel met de krokusvakantie. Gaat sowieso wel een mooie week worden hoor, de krokusvakantie. Tegen die tijd kan ik vast en zeker een begin maken aan mijn derde boek. Wordt weer compleet anders dan alles wat ik hiervoor geschreven heb: heel erotisch maar ook heel politiek, en vooral uiterst subtiel de tijdgeest vangend. Ik ben dan ook een compleet ander mens, want achtentwintig kilo afgevallen. Maar goed, nu eerst dus de kerstvakantie. De lichtjes hangen al, met de rest moet het dan ook wel goedkomen. En je moet natuurlijk ook niet te veel willen en plannen, er moet altijd ruimte overblijven om maar gewoon lekker te zien en te zijn. Terwijl ik naar de koffieautomaat op de derde verdieping loop, omdat die iets beter schijnt te zijn dan die op de tweede, denk ik na over de simpele verplichtingen die de komende uren met zich meebrengen en de onmetelijke vrijheid die daarin verborgen gaat. Ik moet ervan genieten nu het nog kan.
*
Naschrift 1: Het bovenstaande schreef ik op maandag 14 december tussen 8.30 en 9.15. Rond 10u begonnen de lockdowngeruchten tot de docentenkamer door te dringen. Mijn tekst voelde meteen achterhaald. Terwijl het toch eigenlijk geen al te groot verschil zou moeten maken: als de vorige lockdown mij iets geleerd heeft, is het wel dat thuiswerken – zeker met een thuislerend kind erbij – vele malen verder van vakantie afstaat dan werken buiten de deur. En toch, en toch…. Als ik een hele maand thuis rondloop, kunnen die plintjes gerust tussen twee zoom-meetings door ingepland worden. Een kansloze gedachte die enigszins de druk van de kerstvakantieketel haalt.
Naschrift 2: Voor wie zich afvraagt waarom ik op maandagochtend in een docentenkamer een stukje voor m’n site zit te tikken en of dat eigenlijk wel werk genoemd mag worden: dat vraag ik mij ook ernstig af. Maar ik schijn een belangrijke functie te vervullen. Ik loop op deze school rond om klassen op te vangen waarvan de docent in quarantaine moet. Soms met vakken waar ik nooit van gehoord heb; elke dag is weer een nieuw avontuur. Maar de meeste tijd breng ik in de docentenkamer door en vergelijk ik de koffie van de tweede met die van de derde verdieping. Iedereen zegt wel dat die van de derde beter is, maar die van de tweede heeft toch ook een bepaalde charme. Hoe de komende tijd er voor mij uit zal zien is nu wel ongewis. Misschien kan ik mezelf op afstand vervangen. Ik ben benieuwd of ze het verschil zullen merken.
Bel-me-wel-register
Toen Remco mij belde, was ik net de was op aan het vouwen.
‘Goedemiddag, u spreekt met Remco van het NCMWPO. Bel ik gelegen?’
‘Dat ligt er maar net aan waarvoor u belt,’ sprak ik gevat.
‘Wel, meneer van Royen, ik zie hier staan dat u de laatste tijd veel lastig gevallen wordt door energieleveranciers die u een nieuw contract aan proberen te smeren. Klopt dat?’
‘Ja, ze weten me steeds te vinden. Terwijl ik toch dacht in het belmenietregister te staan.’
Hier moest Remco om grinniken.
‘Het belmenietregister. Heb je even? Nee, dat is me toch een wassen neus. Daar kunnen wij van het NCMWPO ons nou behoorlijk kwaad om maken. En dat is precies de reden dat ik bel.’
Remco klonk alsof hij op een articulatiecursus had gezeten, elke medeklinker werd met de grootste precisie afgevuurd.
‘Het werkt dus niet, dat belmenietregister?’
‘Meneer van Royen, u bent het levende bewijs dat het belmenietregister schijnpolitiek is. Altijd geweest ook. Anders hingen we nu niet met elkaar aan de lijn.’
‘Ja, daar zegt u me wat.’
‘Zeg maar ‘jij’ hoor. Ik ben gewoon Remco. Zie mij maar als een betrokken vriend. Of een goede kennis, dat mag ook. Ik wil graag dingen rechtzetten. De Robin Hood van de belmenietregisters, zo noemen ze me ook wel eens. Vind ik dan weer wat overdreven. Iemand moet het toch doen hè. Anders blijft u maar gebeld worden. Alsof u niets beters te doen hebt.’
Ik keek naar de stapel was voor me en mompelde instemmend.
‘Kijk, ik moet nu enkele handelingen verrichten en om die handelingen te verrichten moet ik uw gegevens checken,’ vervolgde Remco opeens zeer kordaat. ‘Volgens mijn administratie hebt u een eigen bedrijf. Hoe lopen de zaakjes, als ik zo vrij mag zijn?’
‘Ik mag niet klagen,’ zei ik en ik bedacht dat ik mijn urenregistratie weer eens bij moest werken. Nou ja, na het was opvouwen had ik toch niets op het programma staan. Al moesten er wel nog boodschappen gedaan worden. Dan kon er onderweg ook nog wel wat glas weggebracht worden. En misschien was het wel een goed idee om dan meteen die zak met oude kinderkleren bij de kringloop langs te brengen. Die stond toch ook al zeker een half jaar op de gang.
‘Dit zijn natuurlijk rare tijden,’ zei Remco. Er klonk iets troostrijks in zijn stem, alsof hij er een arm mee over m’n schouder wilde slaan. ‘Deze tijden zijn niet representatief, ze zijn een uitzondering. Maar we moeten ons natuurlijk wel afvragen hoe lang een uitzondering nog een uitzondering genoemd mag worden. Helemaal normaal zal het voor mij nooit voelen, dat mag u gerust weten.’
‘Zeg ‘jij’ ook maar ‘jij’ hoor,’ zei ik plichtmatig.
‘Ah, ik dacht dat je het nooit zou zeggen,’ zei Remco. ‘Heerlijk om even op hetzelfde niveau te babbelen. Van man tot man. Want uiteindelijk willen we toch hetzelfde hè. Met rust gelaten worden. Door energieleveranciers en al die andere charlatans.’ Hij sprak het woord ‘charlatans’ uit, alsof het zo’n lekker zuur snoepje was. ‘En dat is in feite zo gepiept. Met een drukje op een knopje. Gaan we zo lekker even doen, op dat knoppie drukken. Maar eerst moet ik dus even wat gegevens doorlopen. Jij woont op de Oudeschans?’
‘Nee, daar heb ik wel ooit gewoond,’ zei ik, ‘maar dat is al zeker zes jaar geleden. Ik ben sindsdien drie keer verhuisd.’
‘O’, zei Remco geschrokken, ‘dat betekent dat de gegevens niet helemaal op orde zijn. Wel mooi dat we daar nu achterkomen zeg. Prijs jezelf maar een bofkont dat ik jou nu aan het lijntje heb.’
‘Wat is het probleem dan?’
‘Ja, dat heeft te maken met een hele rare regel die de gemeente onlangs heeft aangenomen. Wij gaan daar niet over hè. Het NCMWPO probeert er juist alles aan te doen de mensen op tijd te waarschuwen. Jezus Kasper, ik neem even een slok water, als je het goed vindt hoor. Op een dag als vandaag weet ik weer precies waarom ik het werk doe wat ik doe.’
‘Ja natuurlijk,’ zei ik, terwijl ik de koelkast opende, ‘neem maar een slok water. Ik schenk mezelf een Rivella in.’ Ik verwachtte een slokje te horen aan de andere kant van de lijn, maar Remco ging haastig verder met z’n verhaal. De Rivellafles liet ik onaangeroerd op het aanrecht staan.
‘Kijk Kasper, we weten allemaal dat Amsterdam gebouwd is op palen hè. Hoef ik jou niet te vertellen.’
‘Ja, ik geloof dat we dat allemaal wel weten.’
‘Wat veel mensen dan weer níet weten,’ vervolgde Remco zijn betoog, ‘is dat al die palen genummerd zijn. En die nummers zijn weer gekoppeld aan huishoudens en daarmee ook aan je DigiD. Elke keer dat jij verhuist, verplaats je dus eigenlijk een paal. Op die manier wordt de stad een warboel, dat snap je. Toekomstige generaties gaan hun weg dan niet meer vinden.’
‘Maar Remco, ik heb mijn verhuizingen altijd netjes doorgegeven hoor. Ik sta voor de gemeente op mijn huidige adres ingeschreven.’
‘En daar komt dus die nieuwe regel om de hoek kijken,’ zei Remco opgetogen, alsof we nu waren aangekomen bij het punt waar alles om draaide. ‘Want de gemeente begrijpt ook wel dat ze op deze manier voor paal staan, no pun intended. Gelukkig is het NCMWPO er om de mensen in te lichten. Want dat wordt in de gauwigheid nog wel eens vergeten, de mensen inlichten. En voor je het weet moet jij een boete van vijftienduizend euro ophoesten. Dat willen we toch niet hebben?’
‘Nee,’ zei ik, ‘dat willen we niet hebben inderdaad. Maar wat moet ik doen dan?’
‘Kasper, jij hoeft helemaal niks te doen. Daar heb je Remco voor. Het enige is dat we je energiecontract even gaan overzetten. Tijdelijk hoor, na anderhalve maand kan jij lekker terug naar de leverancier waar je voor gekozen hebt. Want daar heb jij niet voor niets voor gekozen natuurlijk. Daar heb jij een weloverwogen afweging voor gemaakt. Het is slechts een administratieve lifehack, om een hoop narigheid te voorkomen. En met die irritante telefoontjes houdt het dan ook meteen op. Twee vliegen in een klap, zou ik zo willen zeggen.’
‘Is het echt zo eenvoudig?’ sprak ik verwonderd.
‘Soms zijn de ingewikkeldste dingen het simpelst. Was het niet Churchill die dat zei? Het enige dat jij hoeft te doen is mij toestemming geven op het knopje te drukken. Dan wordt de rest vanzelf in gang gezet.’
Er was nog een hoop was op te vouwen, maar dit voelde nu al als mijn nuttigste dag in tijden. Ik moest er niet aan denken hoe mijn leven gelopen zou zijn, als Remco mij vandaag niet gebeld had.
Haken (en ogen)
Mijn toetsenbord was zo vies geworden, dat enkele toetsen dienst begonnen te weigeren. Het ging om de één, het uitroepteken (niet zo gek, daar die met de één een knopje deelt) en de even hiervoor door mij gebruikte haakjes. Nu gebruik ik die haakjes redelijk vaak (misschien zou ik daar eens mee moeten minderen) en zo’n uitroepteken is zo nu en dan toch ook wel even lekker! Maar ik vond dat ik niet moest klagen. De ‘1’ schreef ik toch al doorgaans uit (als ‘één’ dus), alleen bij wachtwoorden waar je cijfers in moet gebruiken (dat moet best vaak) werd dat wel lastig. Zonder uitroeptekens kon ik wel even prima leven! Maar aan mijn haakjes bleef ik toch wel erg gehecht. Volgens mijn vriendin (die verstand van zulke zaken (en van nog veel meer soorten zaken) heeft) moest ik het toetsenbord schoonmaken en ze zei dat ik daarvoor ‘perslucht’ diende te gebruiken (wat ik een nogal goor woord vind, zeker voor een reinigingsmiddel). Toch bestelde ik maar een bus van dat spul. Inmiddels had ik echter een feilloze methode uitgevonden om altijd aan mijn trouwe haakjes te raken (een methode die al gauw zo vertrouwd voelde, dat ik het bestaan van andere mogelijkheden vergat). Het werkt als volgt: ik open mijn internetbrowser, ga naar (de zoekmachine) Google, toets daarin ‘haakje openen’ en bij de resultaten kies ik een haakje naar keuze om te copy-pasten, die ik dan via ‘plakken en stijl aanpassen’ in mijn document zet (zie Figuur 1). Vervolgens volg ik hetzelfde proces voor haakje sluiten. Toen mijn vriendin me hierop betrapte, lachte ze me uit (terwijl ze het stiekem vast reuze ingenieus van me vond). ‘Dit noemen ze nu een lifehack,’ sprak ik trots, maar daar werd niet op gereageerd. Inmiddels is de perslucht binnen en dat spul werkt inderdaad als een tierelier (mijn haakjes doen het dus weer, evenals alle andere toetsen)! Nu moet ik alleen bedenken wat ik in godsnaam aanmoet met alle tijd die ik opeens over heb. Het leven is een kwestie van je steeds weer aan (nieuwe) omstandigheden aanpassen, toch geloof ik dat werkelijk geluk altijd binnen handbereik ligt!
Figuur 1.
Een teen in de oceaan
Ik had een kamer gereserveerd met ‘ocean view’, maar bij zoiets moet altijd nog maar blijken hoe dat in de praktijk uitpakt. Als om de spanning te verhogen, had het hotel de ruimte met maar liefst drie lagen zonwering aardeduister gemaakt. Eerst waren er de vuistdikke gordijnen, daarachter bleek zijdezacht vitrage te hangen en daar weer achter was het kozijn hermetisch afgesloten met een glanzend zwart rolluik. Op de tast vonden we een knop die dit luik in beweging zou moeten zetten. Normaal gaat mijn dochter over de knoppen, maar aangezien ik de kamer en dus ook het uitzicht betaald had, wist ik haar ervan te overtuigen dat deze eer toch echt aan mij was. Terwijl traag het mechaniek in werking kwam, zag ik voor me hoe ons zo een stenen muur getoond zou worden. Daar stond dan een oceaan op gegraffitied, met een zakkend zonnetje dat per spreekballon ‘got you!’ riep. Maar terwijl de kamer gehuld werd in een hypnotiserende schittering van water zo uitgestrekt als de hemel erboven, daalde het besef in mij neer dat je in het leven soms op meer getrakteerd wordt dan je had durven hopen of kunnen voorstellen. Met toegeknepen ogen staarde ik de eindeloosheid in. Annika verkende de rest van onze kamer. Het koelkastje en de ventilator met vijf standen vond zij minstens zo spectaculair als het uitzicht.
Over een paar dagen zouden we verder reizen naar een vriend, die enige jaren geleden naar dit land was geëmigreerd. In zijn grote tuin zou ik boeken lezen en biertjes drinken en Annika met zijn zoontjes spelen. Annika’s moeder, stiefvader en broertje zouden zich vervolgens aan ons gezelschap voegen. Maar nu waren wij met z’n tweeën. Met z’n tweeën en met de oceaan. Wie mij kent weet dat ik geen waterrat ben (en wie dat nog wist, kan daar in dit boek meer over lezen), maar uiteraard zou ik ook een teen in die oceaan steken. Geen plichtmatige teen, maar een teen die er daadwerkelijk naar verlangde.
Het leven bleek overzichtelijk hier. Behalve de oceaan en het schelpige strand, was er de rustieke haven met haar vele visrestaurants, de ijssalon die we na ons eerste bezoek tot de beste van het westelijk halfrond zouden bestempelen en de andere ijssalons die we uit medelijden zouden overwegen toch ook maar een kans te geven. En dan was er het springkussen waarop een afgetrainde kerel met diepgebruind ontbloot bovenlijf kinderen in een tuigje bevestigde, om ze tot ijzingwekkende saltohoogtes te torpederen. Die jongen had het er maar druk mee; hij moest steeds vier exemplaren afwisselend in de lucht zien te houden. Natuurlijk wilde Annika daar een van zijn. Zenuwachtig lachend van de dieptevrees speelde ik de rol van trotse vader en filmde ik haar acrobatische toeren. Daarna liepen we verder naar het strand.
Annika kwam af en toe langs om mij bijzondere schelpen en krabbenpoten te laten zien en verdween dan weer het water in. Ik probeerde een boek te lezen, maar mijn aandacht werd steeds afgeleid door de mensen om me heen. Voorzichtig uitgelaten, zo zou ik de badgasten om mij heen beschrijven. Er heerste duidelijk een besef dat ons plezier hier niet vanzelfsprekend was en slechts nauwlettend werd toegestaan. Of was dat projectie van mijn eigen dubbele gevoelens? Hadden we in deze duistere tijden niet eigenlijk thuis moeten blijven? Wij leken de enige buitenlandse toeristen hier te zijn. Dat zou me vrolijk moeten stemmen, maar ik voelde me misplaatst. Alsof ik een tijdreiziger was, die zich niet goed ingelezen had over het tijdperk waar hij naar gestuurd werd. Een gezette vrouw zonde topless met een mondkapje op.
Toen ik zei dat ik met haar mee het water in ging, keek Annika verbaasd.
‘Ik kan toch moeilijk de hele tijd op die oceaan uitkijken en er niet een teen in steken,’ legde ik haar uit. ‘Het is toch maar mooi de oceaan,’ voegde ik daar aan toe, om eventuele misverstanden uit de weg te ruimen. ‘We hebben het hier niet over een zeetje hè.’
Ik volgde mijn dochter. Zij had het water betreden, ik was er nog een paar passen van verwijderd. Er lagen wel erg veel steentjes en schelpjes hier, maar wie de oceaan wil voelen moet enige pijn op de koop toe nemen. Toen kwam er een kereltje op ons afgelopen, met een tred alsof hij ons al een tijdje bestudeerd had en nu toch echt in moest grijpen, al had hij zo gehoopt dat het niet zover zou hoeven komen. Hij had wel wat van het Michelinmannetje, maar waar het Michelinmannetje steevast stompzinnig lacht, had dit figuur een blik van grote bezorgdheid op zijn gezicht. Dat we geen gemeenschappelijke taal spraken bleek al snel, maar over zijn gebaren kon weinig misverstand bestaan. Het was gevaarlijk om met blote voeten dit water te betreden. Ik gebaarde een samenvatting van zijn gebaren, om aan te geven dat ik het begrepen had.
‘Sorry schat,’ zei ik tegen Annika. ‘Ik had sandalen moeten meenemen.’ En ik liep terug naar onze handdoeken, haar in het gevaarlijke water achterlatend.
Natuurlijk zou mijn teen nog wel een kans krijgen. De komende dagen bleven we omgeven door dit water. Al zou ik waarschijnlijk wel minder onbevangen de oceaan inlopen, wetende dat ik elk moment op iets scherps kon stappen om vervolgens dood te bloeden. Ook vroeg ik me af of het Michelinmannetje alleen opereerde, of dat hij onderdeel was van een team. Van een typische strandwacht had hij toch weinig weg, maar in hoeverre dat beeld gevormd was door tv-series en dergelijke wist ik ook niet. Misschien waren de meeste strandwachten wel zo, dik en nerveus. En selectief bovendien, dat was waar Annika vooral over viel. Want waarom had hij alleen mij aangesproken? Iedereen liep hier op blote voeten, zo toonde ze met gespreide armen. Haar rechtvaardigheidsgevoel is altijd vele malen groter dan het mijne geweest. Ik leg me er gauw bij neer dat het leven nu eenmaal van willekeur aan elkaar hangt. En misschien was het wel geen strandwacht, maar een betrokken burger. Ieder geval iemand die inzag dat de oceaan en ik onder geen beding met elkaar in contact mochten komen, omdat anders de harmonie van het ganse universum op het spel kon komen te staan.
De volgende dag was het Michelinmannetje in mijn hoofd al verworden tot een anekdote, een maf moment dat verder van geen enkel wezenlijk belang was. Natuurlijk staarde ik het strand af, maar hij was nergens te bekennen en ook niemand anders die hier de zaken in de gaten leek te houden. Ik zou zo direct doodleuk het water inlopen zoals al die andere mensen hier. Ik was niet anders dan hen en als ik dat wel was, was dat niet aan mij af te zien. Ik volgde Annika nogmaals, me ditmaal iets bewuster van al die scherpe steentjes onder m’n voeten. Misschien liep ik daardoor wat trager. Sandalen waren inderdaad geen overbodige luxe geweest. Anderzijds, zoals Annika had aangekaart, droeg nagenoeg niemand die dingen hier. Zij was inmiddels in het water en keek verveeld waar ik bleef. Ik wilde mijn pas versnellen, maar daar kwam hij druk gebarend weer aan. Alsof hij, zodra ik bijna bij het water was, uit het niks materialiseerde.
Met ‘oooo’ en ‘aaaa’, deed ik alsof ik zijn gebaren nu pas écht begreep en het dus niet zo was, dat ik zomaar zijn eerdere waarschuwing in de wind had willen slaan. Annika kwam op ons afgelopen.
‘Vraag dan waarom de andere mensen wel mogen?’ beet ze me toe.
‘Laat maar, lieverd,’ fluisterde ik gemoedelijk. Het mannetje liep alweer weg, zijn taak leek volbracht. Annika rende achter hem aan. Ik probeerde haar tegen te houden, maar de schelpjes waren echt heel scherp.
‘Ekskoesj mie, monsjeur’, riep ze een paar keer. Het Michelinmannetje draaide zich om, met een blik alsof hij zich opeens herinnerde jaren geleden het gas ergens aan te hebben laten staan. Ze wees naar haar voeten en naar de mensen om ons heen. Het Michelinmannetje keek over haar heen naar mij. Er sprak een enorme droevenis uit zijn blik, alsof alles wat hij deed altijd tevergeefs zou zijn en ik dat wel zou begrijpen. Was dat het? Wilde hij me aanspreken, omdat hij dacht dat ik een van de weinigen was die hem begreep en daarom naar hem zou luisteren? Misschien wel de enige? Ik grijnsde met mijn handen in de lucht, alsof ik wilde zeggen ‘ach, die kinderen hè.’
‘Hij is hier écht niet,’ zei Annika later die middag en de volgende dag een paar keer, zoals ik dat vroeger regelmatig tegen haar gezegd had nadat ik zeer uitgebreid de ruimte onder haar bed had afgespeurd naar mogelijke monsters.
‘Het was toeval die twee keer,’ ging ze verder, ‘driemaal is scheepsrecht. En als hij weer komt, moet je je er lekker niks van aantrekken. Want het slaat toch nergens op dat jij niet het water in mag.’
Ze had gelijk natuurlijk, maar toch, maar toch. Sloeg het echt nergens op? Of begreep het Michelinmannetje als geen ander hoe belangrijk zijn taak was, de taak om mij uit het water te houden? Die droeve blik van herkenning bleef op mijn netvlies gebrand. Had hij misschien net als ik nooit zijn zwemdiploma gehaald en nam hij daarom zijn taak als strandwacht zo serieus? Wilde hij voorkomen mensen dat mensen gered zouden moeten worden, omdat hij zelf het water niet in kon? Was het mijn lot om ook strandwacht te worden?
Ik zette het oceaangebeuren uit mijn hoofd. Hoe Annika ook bleef benadrukken dat ik het een derde kans moest geven, ik berustte in mijn lot dat het uitzicht een uitzicht zou blijven. En dat was toch ook al bepaald niet mis.
Annika had haar vakantiegeld besteed in een winkeltje dat speciaal voor dat doel in dit oord leek te zijn neergezet: bakken vol haarbanden en dagboeken. Waarom zij zoveel dagboeken nodig heeft, heb ik nooit begrepen. Ik heb haar haast nooit in een ervan zien schrijven. Maar er is wel meer dat ik niet begrijp en moet toegeven dat de stoffen omslagen in de vorm van flamingo’s en eenhoorns aangenaam aanvoelen. Ze hield een paar euro’s over en op de dag van ons vertrek, besloot ze na enig beraad deze uit te geven aan een tweede ronde op het springkussen. Ik zei dat dat als een prima plan klonk, maar dat zij het dan wel zelf zou moeten regelen. Mijn taak als trotse vader had ik de eerste keer al verricht. Ik zou op een bankje bij het strand voor de laatste maal het uitzicht in mij opnemen en wachten tot ze terug was. Daarna moesten we terug naar ons hotel om onze bagage op te halen en vervolgens naar de vermaarde ijssalon alwaar we met mijn geëmigreerde vriend hadden afgesproken. Hij had aangeboden ons een lift te geven. Met een uurtje zouden we bij zijn boerderij zijn, die niet op de oceaan maar op een kerkhof uitkeek. Ik was vaker bij hem geweest en dan wees hij regelmatig trots naar dat uitzicht en verzuchtte dan ontroerd: ‘ik hoef hier echt nooit meer weg.’
Ze was zeker twintig minuten weggeweest, toen ik haar in woedende tranen op me af zag komen lopen. Het was duidelijk, er was haar een groot onrecht aangedaan. Ze vertelde dat ze heel lang had staan wachten en de meneer toen had gezegd dat ze de volgende was, maar toch een ander kind voor had laten gaan. Ik overwoog te zeggen dat ze het dan maar uit haar hoofd moest zetten, dat die dingen soms zo lopen en dat daar niets aan is te doen. Maar nee, of het nou mindful of fatalistisch genoemd moet worden, deze levenshouding zou ik niet op haar over laten slaan. Zij had het voor mij opgenomen en nu moest ik dat voor haar doen.
Met haar hand in de mijne stapte ik met een zo recht mogelijke rug op de springkussenman af. We zouden wel eens zien wat hier godverdoppie aan de hand was. Een kind aan het lijntje houden, in deze verzengende zon nog wel, hoe durfde hij. Goddank bleek ik mijn mond niet eens open te hoeven doen. Mijn aanwezigheid was genoeg, want zodra de gebruinde torso ons zag begon hij in z’n beste Engels uit te leggen dat er sprake van een misverstand was geweest. Een ander kind was ook toegezegd de volgende te zijn, maar deze leek te zijn verdwenen en was toen opeens weer teruggekomen. Hij keek me gespannen aan. Ik zei dat ik het begreep, maar ik deed mijn best daar zo zo min mogelijk begripvol bij te kijken. Een moment als dit zou zich vast niet snel meer aandienen, dus ik was het aan mezelf verplicht hier zoveel mogelijk genot uit te halen. Ik zei tegen Annika dat papa het allemaal geregeld had. Terwijl ze in het tuigje gezet werd, liep ik net niet mijn handen tegen elkaar afkloppend naar mijn bankje terug.
Starend naar de oceaan, verdwenen een tijd lang alle gedachtes. Tot ik me met een schok afvroeg hoeveel tijd er al voorbij was gegaan. Toch zeker een half uur. Nou zou die man Annika natuurlijk extra lang op dat kussen laten, ter compensatie voor al het psychische leed dat hij veroorzaakt had en natuurlijk uit angst dat haar vader hem voor z’n bek zou slaan. Maar dit was dan wel weer erg lang, dat kon toch ook niet helemaal gezond meer zijn. Moest ik me al zorgen gaan maken? Die man was natuurlijk veel te knap om een pedo te kunnen zijn, maar wie weet had hij wel een verbond met het Michelinmannetje gesloten. Ze zouden haar net zo lang in de lucht houden, om te voorkomen dat ik nog een drieste poging zou ondernemen. Ik merkte dat ik me uitgedaagd voelde. Op mijn telefoon zag ik dat we niet veel tijd mee hadden. Het kwam nu op handelen aan. Natuurlijk was het volstrekt onverantwoord: de plek verlaten waar ik met mijn dochter had afgesproken. En toch deed ik het. Schichtig om me heen kijkend naar eventuele Michelinmannetjes en dan weer mijn hoofd omdraaiend naar het bankje, dat steeds moeilijker van de andere bankjes te onderscheiden viel, kwam ik steeds dichter bij de oceaan. In de verte zag ik een stipje in het luchtruim dat mogelijk mijn dochter was. Lafjes zwaaide ik in haar richting. Papa ging het nu dan toch echt doen.
En daar stond ik dan, vol ongeloof. Mijn tenen bevonden zich alletien in de machtige oceaan. Ik was waar ik moest zijn. Niemand keek mij vreemd aan. De Michelinmannetjes hadden het opgegeven, of ze hadden ingezien dat ze zich vergist hadden. Ik was niet een van hen. Ik was wie zij hadden kunnen zijn, als ze meer inzicht in het uitzicht gehad hadden. Over een minuut, misschien twee, zou ik het water weer uitlopen. Ik zou mijn inmiddels kotsmisselijke en helsverbrande dochter in ontvangst nemen. We zouden naar het hotel rennen en daarna naar de ijssalon. Ik zou vloeken omdat we te laat kwamen en ik zou mijn vriend proberen te bellen, maar m’n telefoon zou leeg blijken. Annika zou overgeven vanwege de zonnesteek die ze opgelopen was en de rest van de reis koorts hebben. Ik zou schimmel tussen m’n tenen krijgen en een infectie op m’n zool vanwege een agressieve schelp. Vele verschrikkelijke en wonderschone momenten stonden ons op te wachten. Het leven zou verder gaan, alsof er niets gebeurd was. Maar ik wist wel beter. Ik was nu hier.
De Coronaclown (part V)
Hieronder volgt de zinderende finale van dit meeslepende quarantainefeuilleton. De vorige delen gemist? Lees deze dan eerst hier, hier, hier en hier.
Natuurlijk had ik van tevoren even moeten bedenken wat ik, afgezien van die dekselse Rivella, nog meer in huis moest halen. Wc-papier hadden we voorlopig genoeg, dat was een ding wat zeker was. En het leek me logisch dat ik vanavond koken zou, aangezien mijn geliefde met haar kunstenaars voorlopig niet zou zijn uitgezoomd. Ik hoopte maar dat Annika haar niet zou storen, dat ze zich bezig kon houden met een van mijn briljante suggesties en niet de tijd met domme filmpjes zou vullen. Waarom kon ze niet gewoon aan een goed boek beginnen? Als er een moment in de wereldgeschiedenis was voor een negenjarige om aan Misdaad en straf te beginnen, dan was dit het toch wel. Wat had Dylan Haegens dat Fjodor Dostojewski niet had?
‘Mag ik er even bij?’ vroeg een vrouw met paars haar.
‘O sorry,’ zei ik, opeens beseffend dat ik de doorgang tussen de ontbijtproducten en koolzuurhoudende dranken blokkeerde.
‘Ja, dit is niet de tijd en plek om te dralen hè. Gewoon pakken wat je pakken moet,’ adviseerde ze, terwijl ik met m’n karretje naar achteren liep, waardoor zij ook een stuk naar achteren moest om daarna ruimte te hebben de bocht te maken. Als een buitenaardse entiteit door het dak van deze supermarkt kon kijken, zou deze er een hypnotiserende choreografie in kunnen zien. Hoe lang ik in de supermarkt rondliep, wist ik niet. Behanglijm en huzarensalade vulden nog steeds m’n gedachten. En Stefan die ik in het trappenhuis tegengekomen was. Stefan zonder clownskostuum.
‘Je hebt dat nummer niet gebeld hè?’ had hij gehaast gevraagd, alsof niemand ons mocht horen.
‘Het nummer op jouw flyer? Nee, nog niet aan toegekomen. Sorry.’
‘Nee, dat is juist goed. Ik heb een grote fout gemaakt. Ik had die flyers niet mogen verspreiden. Het is een foute organisatie, een gevaarlijke club.’
Opeens bedacht ik dat ik al een aantal nachten het geflap boven me niet meer gehoord had.
‘Een gevaarlijke club? Ze willen toch alleen maar mensen laten lachen in deze moeilijke tijden?’
‘Dat is het ‘m nou juist, ze zijn veel te gebaat bij deze moeilijke tijden. Ze willen dat het lijden in stand blijft. Dat ik mijzelf daarvoor geleend heb zeg. Ik heb dingen gezien, die…’
Stefan trok bleek weg. Even was ik bang dat hij op me af zou stappen, om zich tegen me aan te drukken. In andere tijden had het een ontroerende scène kunnen opleveren. Toen herpakte hij zichzelf.
‘Nu is iemand anders Clown Kobus. Niemand die het verschil ziet, niemand die mij zal missen, zegt de Grote Baas.’
‘De Grote Baas?’
‘Oké, ik moet nu gaan.’
Met zichtbaar moeite om z’n pas niet te versnellen, nam hij de trap naar z’n appartement. Het was de laatste keer dat ik Stefan in levende lijve zou zien.
‘Ben je daar nou weer?’ Het was de vrouw met het paarse haar waar ik bijna tegenop was gebotst.
‘Was nog iets vergeten,’ mompelde ik. Haar karretje stond tot de nok toe gevuld, in de mijne lag alleen een Rivella-fles, als een dode paling in een zwembad.
‘Dan heb je pech gehad, kereltje. Je kan niet zomaar kriskras door de winkel lopen. Door types als jij heeft die anderhalvemetersamenleving zo wel weinig kans van slagen hè.’
‘Ik houd het anders wel hierbij,’ wees ik beschaamd naar de fles.
‘Ja, en dan lekker voor elk product de deur uit zeker? Ik ga hier mooi melding van maken.’
Behoedzaam keerde ik m’n kar, zodat ik haar op afstand in de richting van de kassa’s kon volgen. Onderweg pakte ik een pak bitterkoekjesvla uit de koeling, alsof dat hetgeen was waar ik de hele tijd naar op zoek was. Het zou een licht maal worden vanavond.
De flyer was verscheurd en ik had besloten daar niets van te zeggen. Ik had hem ook niet zomaar moeten laten rondslingeren. Even was ik opgelucht dat we het nummer nu niet meer konden bellen, tot ik bedacht dat ik het in mijn telefoon had opgeslagen. Een moment overwoog ik het te wissen, maar toen dacht ik aan Rubert en waar hij toe in staat kon zijn.
‘Natuurlijk heb ik enige research gedaan, je kent me Klasper, maar helemaal niks over te vinden op dat hele internet,’ zei hij toen ik hem de volgende dag weer Facetimede. Hij had een ruimvallende ochtendjas aan met een patroon van speelkaarten.
Ik had besloten niets te zeggen over mijn ontmoeting met Stefan. Waarom wist ik niet precies, maar ik had het gevoel dat het beter voor iedereen was als Rubert niet teveel wist.
‘Misschien willen ze liever niet gevonden worden,’ opperde ik nonchalant.
‘No shit, Kapslock,’ grijnsde Rubert. ‘Dat is natuurlijk het mooie van die hele clownerie. Het gaat om het verrassingseffect, de omtrekkende beweging. Als ik even mezelf mag citeren: ‘de clown is van oudsher een guerrillastrijder pur sang’. Daarom intrigeert dat telefoonnummer me ook zo mateloos, ik wil weten of deze zogeheten coronaclown werkelijk zomaar opgetrommeld kan worden. Kom, laten we bellen.’
Ik begreep dat er nu geen ontkomen meer aan was.
‘Oké, laten we dat doen,’ fluisterde ik. Annika was met mijn geliefde aan het luchten en het gebouw was niet zo gehorig dat Stefan iets zou kunnen meekrijgen van ons gesprek, toch had ik het gevoel dat er meegeluisterd werd.
Ik zette mijn telefoon op de speaker en hield hem voor de laptop, Rubert keek alsof hem een koekje aangeboden werd. Even was er een stilte, waarin ik hoopte dat het nummer opgeheven bleek. Toen ging hij over. Ik verwachtte een nasale clownsstem, maar het was een vrouw met zwoele Vlaamse tongval.
‘Bedankt voor het bellen van de coronaclown-hotline. Er volgt nu een keuzemenu. Kies 1 voor een onschuldig mopje. Kies 2 voor een politiek incorrecte poets. Om een dierbare te pranken, drukt u op de 3. En voor een clownsact op veilige afstand in uw directe leefomgeving, toets 4.’
‘Vier natuurlijk! Vier, vier, vier,’ jubelde Rubert vanuit z’n scherm.
Ik drukte op vier.
‘Bedankt voor het maken van deze dappere keuze,’ sprak de vrouw, ‘u zult hier geen spijt van krijgen. Spreek nu de vier cijfers en twee letters van uw postcode in, druk dan op het sterretje.’
Vragend keek ik Rubert aan. Hij knikte met flonkerende ogen en sprak toen zijn postcode in. Daarna vroeg de vrouw om een huisnummer, en of het factuuradres hetzelfde was. Mijn vinger trilde, toch lukte het steeds het volgende knopje te drukken. Daarna vroeg ze of we akkoord gingen met de voorwaarden. Om welke voorwaarden het ging was niet duidelijk.
‘Wij verwerken uw gegevens. Binnen een half uur ontvangt u een bevestiging per sms.’
Ze sprak ‘sms’ uit, alsof het een geheim medicijn betrof. Daarna werd de verbinding verbroken.
‘Over de kosten geen woord,’ zei ik.
‘Maakt me geen reet uit, Krassie. Ik trakteer. Prachtig toch om dit mee te mogen maken? Ik denk dat we echt een nieuw tijdperk ingaan. Nieuwe ideeën, nieuwe kunststromingen. Afstandsrenaissance. Rococorona. Een paradigmaswitch van heb ik jou daar. Er gaat zo immens veel openbloeien, je zult het zien. Dan schenk ik mezelf nu een borreltje in, laat jij het even weten als je die sms ontvangen hebt?’
Ik merkte al met al toch blij te zijn dat ik het nummer gebeld had. Het plan om mijn dochter van haar coulrofobie af te helpen, leek immers geheel uit Ruberts hoofd verdwenen. En ik merkte dat mijn herinneringen aan De Methode daarmee ook makkelijker verdwenen naar de plek waar ik ze zo lang verborgen had weten te houden.
Op donderdag 30 april tussen 12 en 18u opereert Coronaclown Kobus in uw gezichtsveld, houd lichten aan en gordijnen open. Rubert leek weinig verbaasd door de inhoud van dit bericht.
’Met dat tijdsbestek weten ze er toch nog een verrassingselement in te houden,’ concludeerde hij monter.
‘Want ook al blijkt dit een rib uit m’n lijf te kosten, gaat dat natuurlijk never nooit niet zes uur lang duren. Een goede clownsact neemt niet meer dan een minuut of twintig in beslag. Op z’n hoogst hoor, anders ga je op kracht inboeten.’
Als het aan Rubert lag hield hij de hele dag onze Facetime-verbinding doorlopen, maar ik wist hem ervan te overtuigen dat het beter was als hij contact opnam wanneer hij iets opvallends zag. Twee keer bleek het vals alarm, eerst een ijscowagen die zijn straat in kwam rijden en gewoon een ijscowagen bleek te zijn, toen een postbode die een pakje voor de buren kwam bezorgen maar gewoon een postbode bleek te zijn die een pakje voor de buren kwam bezorgen. Rond kwart voor twee maakte Rubert opnieuw verbinding.
‘Kijk daar eens,’ zei hij en in mijn scherm zag ik een vrij verlaten straat.
‘Wat moet ik zien?’
‘Die witte auto. Staat er nu al een klein half uur, maar ik wilde je niet weer voor niks lastig vallen. Vreemd dat niemand uitstapte, maar leek verder niks te gebeuren. Maar een paar minuten geleden - het ging echt razendsnel, ik kon je er niet op tijd bij halen - kwamen er drie figuren uit. Niet in clownsoutfits, maar in van die medische beschermingspakken. Een van hen had een schoonmaakkarretje bij zich, I kid you not. En ze verdwenen zo pardoes in het appartement hier tegenover. Oh wacht, kijk daar nou, er beweegt iets. Ze zijn de ramen aan het afnemen. Geweldig zeg, hoe grondig dit allemaal wordt aangepakt. En allemaal als vorm van troost, voor mij, voor ons, voor de mensheid. O, kijk daar nou, wat komt daar nou de deur uit? Zie je dat? Een van die figuren weer, met mijn overburen. God, ze zijn met touwen vastgebonden, plakband over hun mond. Lijken zich niet erg te verzetten. Nee, dit zijn gewoon allemaal protocollen die moeten worden nageleefd, dat snappen wij best. Zij wisten natuurlijk ook van niets, anders konden ze het gaan rondbazuinen. Zullen wel een flinke vergoeding krijgen achteraf, daar betaal ik dan vast ook voor. Zo, dan wordt nu de kofferbak opengemaakt. Zie je het goed?’
Ik zag het allemaal nogal vaag en het scherm liep steeds vaker vast, zonder Rubert commentaren erbij weet ik niet of ik er enige chocola van had kunnen maken.
‘O wacht, nu stapt er iemand uit de kofferbak van die wagen. En ja hoor: een clown. Knap toch hoe klein ze zich kunnen maken. Grote bos ballonnen in z’n knuist, paste er ook nog wel bij. Die arme drommel, zit zich natuurlijk zich al de hele tijd te verkneukelen tot hij eindelijk clownen kan. Het is je roeping of niet. Ah, nu verdwijnen mijn overburen in die kofferbak. Het is een soort wisseltruc eigenlijk. Hilarisch, maar ook poëtisch. Want is het hele leven niet één grote wisseltruc? Jammer dat die meerlagigheid de meeste mensen ontgaat. Die denken dat het gewoon allemaal dom lachen is. Hun gemis. En dan te bedenken dat de act zelf nog moet beginnen, dit is natuurlijk alleen maar het voorbereidende werk. Ah, daar komen nu ook die twee andere figuren de deur uit. De ruimte zal nu dus wel helemaal gedesinfecteerd zijn. De deur wordt opengehouden, Kobus kan z’n podium betreden.’
Even overwoog ik hem te vertellen dat deze Kobus een andere Kobus dan de Kobus op de flyer was. Dat mijn bovenbuurjongen zijn flapschoenen aan de wilgen had gehangen. Maar wat deed het er allemaal toe? En wist ik veel hoeveel Kobussen er wel niet waren? Misschien heetten ze allemaal wel zo.
‘Nu is het wachten geblazen. God, die anticipatie. Zeg nou zelf, dit is toch beter dan seks? Veel beter zelfs, al hoor je mij niet klagen hoor. Ah, daar verschijnt-ie, voor het raam. Hij kijkt, hij kijkt. O geweldig, hij probeert oogcontact met me te maken. Hij moet z’n publiek aftasten, natuurlijk, waar doe je het anders voor. Misschien ziet-ie jou ook wel?’
Ik zag het clownsgezicht inmiddels ook, maar kon me moeilijk voorstellen dat hij mij zag. Hij zag hooguit een man in een ochtendjas een laptop in de lucht houden.
‘O kijk, hij strekt z’n handen uit. Wil naar me toe. Z’n handschoenen betasten het raam. Het begint tot hem door te dringen dat hij niet verder kan. Dat die afstand tussen ons zit. Wat ontroerend dit! Z’n lippen beginnen te trillen. Gedurfd hoor, meteen beginnen met een huilact. Dan is het opbouwen naar die ontlading wel echt een bergetappe, maar áls het lukt sorteert je natuurlijk meteen tienvoudig effect. Zo’n ambitie heb ik al héél lang niet meer gezien. Kijk, hij pakt een zakdoek uit z’n borstzak. Wat staat daar nou op? Kan ik nét niet lezen. Stom, had m’n kijkertje erbij moeten pakken. Nou ja, hij wil z’n tranen drogen natuurlijk. Maar wat nou? Hij kijkt er verschrikt naar en laat hem vallen. Verrassend dit hoor. En nu…. Nee, geweldig, hij droogt z’n tranen in z’n elleboog. O jeetje, inspelen op actualiteiten, wanneer hebben we dat voor het laatst gezien in de clownerie? Lenig ook wel hoor. En nu? Pats, een natte elleboog. O, wat zielig dit! Nu komen er nog meer waterlanders. Waar haalt hij ze vandaan? Hij moet ergens een pompje verstopt hebben, zou je denken, maar ik sluit niet uit dat we hier met een heuse method clown te maken hebben. Die perst ze gewoon uit al z’n onverwerkte traumaatjes. Allemachies.’
Zoals Rubert voorspeld had duurde de act niet meer dan een dik kwartier. Hij wilde samen met me wachten tot de overburen weer vrijgelaten werden, maar ik deed alsof ik hem steeds slechter kon horen en zien.
‘Dit heeft geen zin meer, die verbinding is helemaal ruk,’ zei ik. ‘Maar heel mooi om dit allemaal met jou mee te maken hoor, Rubert.’
‘Ik ben jou dankbaar Kapsieflapsie. Er is nu duidelijk een leven voor en een leven na deze dag.’
Ik klapte mijn laptop dicht. Een luchtje scheppen, dat moest ik. Een luchtje scheppen en proberen dit allemaal te vergeten, dan wel erachter zien te komen wat ik ervan leren moest.
Ik liep de straten door, eerst de vertrouwde route naar de supermarkt. Het voelde vreemd geen boodschappentas bij me te hebben, maar prettig vreemd, als de eerste blote voeten op het strand na een lange strenge winter. De mensen in de rij leken koeien op weg naar het slachthuis. Een gebaar om duidelijk te maken dat ik niet voordrong, dat ik slechts passeerde, ontsnapte aan mijn handen, maar geen enkele blik werd afgewend van het uitzicht op de volgende rug. Ik liep voorbij de straathoek waar ik Stefan voor het eerst in clownspak gezien had. ‘Ze willen dat het lijden in stand blijft,’ hoorde ik zijn stem in mijn hoofd. En daarna hoorde ik Rubert zeggen: ‘We gebruiken ook wel pastasalade, voor de kindervariant. Je weet wel, met van die schelpjes.’ Maar het waren echo’s, echo’s die langzaam vervaagden.
De straten werden andere straten, oudere straten, er kwam me steeds minder bekend voor. Hier en daar stond een afgelegen huis, met waaiend wasgoed op de veranda. De begroeiingen werden spaarzamer en stekeliger. Met elke stap die ik zette stoof er stof omhoog. Ergens in de verte floot iemand een vergeten melodie. Een mens zag ik nergens meer, maar toch voelde ik overal ogen. Ze waren waar ik maar liep: achter de struiken, of misschien wel erin. Soms dacht ik in mijn ooghoek een fopneusje te zien, of een flapschoen die gauw werd weggetrokken. Maar een outlaw was ik - geen rivellaoutlaw, maar een echte - en voor niemand bang. Na nog enkele uren wandelen was de vlakte kaal en volledig door zon overgoten. Hier was geen plek meer om je terug te trekken en deze paljassen probeerden dat dan ook niet. Het waren er tientallen en ze stonden veel te dicht op elkaar, alsof ze zich immuun waanden voor elke werkelijkheid. Een groepje was aan het paren en eentje maakte daar foto’s van met een felroze camera, als hij op het knopje drukte spatte hij ze nat. Ik bleef op veilige afstand, maar ze leken mij niet op te merken, ze leken door me heen te kijken. Ik was geheel overbodig in deze wereld en daarom zo vrij als een vogeltje. Niemand zou me wat maken. Wie het laatst lacht lacht het best, en dan te bedenken dat de grap nog moest nog beginnen.
[The End]
De Coronaclown (part IV)
Hieronder volgt het vierde deel van dit meeslepende quarantainefeuilleton. De vorige delen gemist? Lees deze dan eerst hier, hier en hier.
Natuurlijk, de Rivella was op. Mijn geliefde en ik verdeelden de boodschappen zo, dat we beide voldoende de deur uitkwamen. De Rivella behoorde tot mijn verantwoordelijkheden, ik had dat in de gaten moeten houden. Ik hield dat ook in de gaten, maar door alle spannende zaken die op mijn pad waren gekomen - het FaceTime-weerzien met Rubert, het vooruitzicht nu dan toch echt het nummer van de coronaclownflyer te gaan bellen - was het aan mijn aandacht ontsnapt. Net toen ik besloten had dat een rivellaloos middagje echt niet het einde van de wereld zou betekenen, dat het mij misschien zelfs goed zou doen eens een andere consumptie te nuttigen, bijvoorbeeld een glaasje kraanwater, een kopje thee, of waarom ook niet een vroeg wijntje, ja zo’n wijntje was zo gek nog niet, gezien de omstandigheden van de huidige situatie van het tijdperk waarin we leefden enzovoorts en bovendien ook omdat het er gewoon was, in een fles, die zo opengemaakt kon worden en vervolgens in een glas geschonken, toen kwam Annika uit haar kamertje gestormd om te zeggen dat ze haar schoolwerk af had.
‘Je schoolwerk af?’ riep ik verschrikt. ‘Maar dat kan toch helemaal niet, de dag is nog maar amper begonnen. Waarom maak je anders alles nog een keer? Herhaling is heel belangrijk. Essentieel, zou ik haast willen zeggen. Of ga anders een ambacht leren via YouTube. Kantklossen bijvoorbeeld, of atoomsplitsen. Gebarentaal voor mijn part. Dit is dé tijd om je te ontwikkelen. Ga je de rest van je leven profijt van hebben, zal je zien.’
Toen zag ze de clownsflyer voor me liggen.
‘Papa, wat doet dat hier nog? Ik dacht dat je het zou weggooien,’ sprak ze verontwaardigd, haar hoofd in een onmogelijke hoek gebogen om maar geen glimp van het clownsgelaat op te vangen.
‘Gaat alles goed daar?’ hoorde ik Ruberts stem uit m’n telefoon komen.
‘Ja, kleine huiselijke crisis Rubert, maar die horen ook bij zo’n lockdown, intelligent of niet. Je zit toch op elkaars lip hè. Annika, zeg eens hallo tegen Rubert.’
‘Hallo,’ riep ze afwezig in de richting van mijn telefoon.
‘Hallo Annika,’ zei Rubert. ‘Niet bang zijn hoor. De meeste clowns - en geloof me, ik heb er een hoop mogen ontmoeten - bedoelen het goed. Zij kunnen er ook niets aan doen dat het hun roeping is zich onherkenbaar te maken.’
‘Ik ben niet bang,’ riep Annika. ‘ik ben er gewoon allergisch voor. Papa, mag ik Rivella?’
‘Die is op boef, pak maar wat water.’
Brommend liep m’n dochter naar de kraan.
‘Nou, ze heb het niet van een vreemde hè. Mijlendiep in die ontkenningsfase, fase twee-en-een-half weet je nog. Een allergie, prachtig, hoe creatief zo’n kinderkoppie ermee omgaat. Maar jij kon er ook wat van hoor. ‘Nee, het is geen fobie, het is gewoon goede smaak.’’
Ik speelde een lach van herkenning, maar iets van deze uitspraak herinneren deed ik niet.
‘Zeg Kaspie, mocht je overwegen haar aan De Methode deel te laten nemen - uiteraard een aparte, op de kinderziel toegesneden variant, want die hebben ze in de tussentijd werkelijk waar ontwikkelt, de wetenschap staat ook niet stil - dan moet je het maar zeggen hè.’
‘O, dat is heel aardig,’ zei ik afwezig. ‘Maar ze overdrijft graag een beetje hoor.’
‘Ach Kapstertje van me, hoor je jezelf? Ik wil me niet met je opvoeding bemoeien, maar deze business moet serieus genomen worden hoor. Nu is het nog maar een flyer. Zo direct komt ze die buur van je tegen, zoals jij hem ook tegengekomen bent, met schmink en schoenen en al. Hoe zal ze dan reageren? En hoe zal dat voor hem zijn denk je? Clowns voelen zich al zo opgelaten in deze tijden. Voor je het weet slaat het nog op hem over. Zal niet de eerste clown zijn die bang voor zichzelf wordt, je kent de voorbeelden.’
Ik hoorde Rubert woorden wel, maar ze kwamen niet binnen. Mijn gedachten werden gevuld door beelden. Beelden die ik al heel lang niet meer voor me had gezien. Een groep mensen in een kring. Tussen hen in een tafel met daarop een pot behanglijm, een gifgroene watermitrailleur en een emmer huzarensalade. Attributen die lagen te wachten tot ze nodig waren en dat moment was bijna daar. Iedereen in de kring zat in kleermakerzit en had een neusje op. Opeens begreep ik waarom ik zo lang niet meer aan Rubert had gedacht. Ik wilde de beelden wegdrukken, zoals ik dat blijkbaar in de afgelopen tien jaar gedaan had. Buitenlucht had ik nodig.
‘Kapsieflapsie, ben je daar nog? Moet ik even opnieuw verbinding maken?’
‘Sorry Rubert, ik moest eraan denken dat ik nog boodschappen moet doen.’
‘Maar ik dacht dat we het coronaclowntje gingen bellen? Ik zat er net helemaal klaar voor met m’n blocnootje en een versgeslepen potlood.’
‘We gaan dat ook doen. Een dezer dagen. Misschien morgen al. Ik zal het niet doen zonder jou.’
‘Dat is je geraaien. Ik ga nergens heen. Jij hebt je Rivella nodig, dat snap ik best. Maar denk er goed over na wat dit alles voor je koter betekent. Zij is wel de toekomst hè. En aan toekomst hebben we zoveel behoefte, juist nu. Er opereert een clown in jullie leefomgeving, dat is wel de realiteit waar je nu mee te dealen hebt. Zie dat onder ogen. De Methode is natuurlijk ook overgestapt op de moderne communicatiemiddelen van dien. Het enige wat je moet doen is de juiste benodigdheden in huis halen. Fopneusjes. Behanglijm. Huzarensalade. We gebruiken ook wel pastasalade, voor de kindervariant. Je weet wel, met van die schelpjes. Als er maar geen croutons of zongedroogde tomaten inzitten, je begrijpt wel waarom. En dan natuurlijk iets waarmee van afstand water te torpederen valt. Kan ook gewoon zo’n simpel pistooltje zijn hoor, heeft ze misschien al. En dan nog even je contributie overmaken.’
‘Dank voor je advies Rubert, ik zal er over nadenken. En ik laat je weten wanneer we het nummer gaan bellen.’
‘Ik sta te popelen hoor, dat wil je niet weten. Lang geleden dat ik zo gepopeld heb, ik voel het tot in m’n poeperdje.’
Nadat ik enige tijd verdwaasd naar m’n telefoon gestaard had, liep ik naar Annika’s kamer.
‘Wie was die Rubert? Waar bemoeide hij zich mee? En waarom heeft hij zo’n rare naam?’ inquisiteerde ze, nog voordat ik haar deur goed en wel geopend had.
‘Ik denk dat dat z’n ouders het een mooie naam vonden,’ mompelde ik.
‘Rare ouders.’
‘Het is een oude vriend. Hij bedoelt het goed.’
Ik zei het ook tegen mezelf, dat hij het goed bedoelde. Toch begon ik aan alles te twijfelen. Kon het me heugen wanneer ik in de recente geschiedenis een hap huzarensalade tot me had genomen? Dat moest toch wel iets zeggen!
‘Lieverd, ik ga even boodschapjes doen.’
‘Vergeet je de Rivella niet?’
‘Nou, ik dacht, misschien moeten we wat minder van dat spul drinken. Wat is er mis met een goed glas appelsap?’
‘Saaaaaaaaaaaaai.’
Eigenlijk was ik het met haar eens; er was weinig dat ons drankje kon vervangen. Maar dat er dingen anders moesten, daar kon ik toch ook niet meer omheen. Maar welke dingen waren de juiste dingen? Had ik die flyer niet meteen weg moeten gooien? Waarom had ik zo heldhaftig willen zijn een blokje om te wagen? Binnen blijven was toch het devies? Moest ik na een heel leven gezagsgetrouwheid uitgerekend in deze tijden de rebel in mezelf willen ontdekken? En oude contacten ophalen die niet voor niets verwaterd waren?
Ik liep naar de slaapkamer, waar mijn geliefde op bed lag met achtenveertig kunstenaars. Veelbetekenend wees ik naar de boodschappentas in mijn hand en wierp vervolgens een kus in de lucht. Ik haalde mijn jas van de kapstok en controleerde mijn uitrusting. In de binnenzak bevond zich m’n pinpas, in mijn capuchon het mondkapje, uit mijn borstzak stak de handgel als een nieuwsgierig kangaroekind. Ik was helemaal uitgerust om weer op missie te gaan.
Toen ik de voordeur opende, zag ik dat iemand net de trap op kwam. Even herkende ik hem niet, omdat hij z’n doodnormale kloffie aanhad. Spijkerbroek vol gaten, een donkerblauw t-shirt met een diepe v-hals. Het was Kobus, oftewel Stefan.
[Wordt vervolgd]