Bitterballenbon

Sinds enkele weken glimt er een zilveren knopje op mijn dochters rechterneusvleugel. Ik had wel verwacht dat het haar uitstekend zou staan. Toch kostte het me de nodige slapeloze nachten om te besluiten of het ‘mocht’. Hoe ouder zij wordt, des te lastiger ik die mag-vraag begin te vinden. Vroeger was het leven overzichtelijk: ‘nee, je mag geen ijsje voor het eten’, ‘ja, je mag nog even op de schommel’. Daar hoefde ik geen research op internet voor te plegen, geen enquêtes in mijn omgeving voor uit te zetten; ik wíst die dingen wonderbaarlijk genoeg gewoon. Nu weet ik het meestal na al mijn gepieker nog steeds niet echt, maar er dienen nu eenmaal knopen doorgehakt te worden.



Ik kwam uit op een compromis met mezelf: zij mocht zo’n knopje, maar zou het niet van mij krijgen. De aanleiding van dit vraagstuk was namelijk dat de neuspiercing op haar verlanglijstje stond en haar moeder had voorgesteld dat wij deze samen zouden geven.

‘Geef jij haar dat maar, dan geef ik haar iets anders,’ zo deelde ik de conclusie van mijn onderzoek.


Mijn ex had er nooit een geheim van gemaakt dat zij zelf als dertienjarige zo’n neusknopje had laten zetten. Dit zou best een reden kunnen zijn dat onze dochter, die nu alweer veertien werd, vond dat zij het dan toch ook mocht. Daar valt lastig tegenop te piekeren.



‘Ik heb nog even overwogen of ik er niet zelf ook weer eentje zal laten zetten,’ sprak de trotse moeder half-grappend, terwijl ze de tompoucen over bordjes verdeelde.

‘Waarom doe je dat dan niet mama?’ zei de jarige.
‘Oh, ik ging er eigenlijk vanuit dat je dat gênant zou vinden.’

‘Nee, dat is toch juist cool?’

Wat wel of niet cool dan wel gênant bevonden wordt, daar valt toch ook moeilijk de vinger op te leggen, maar moeder en dochter dragen nu ieder geval een identieke neuspiercing.



‘En als ze nou een navel- of tongpiercing had gevraagd, was dat voor jou ook prima geweest?’ had ik, in een vroeg stadium van mijn onderzoek, voorzichtig bij mijn ex geïnformeerd.

‘Natúúrlijk niet! Die dingen kunnen toch absoluut niet bij een veertienjarige, en ik vind ze sowieso ordinair.’

Zij was altijd al gezegend geweest met stellige opvattingen. Mij leek het ergens wel wat arbitrair. Waarom mag het een wel en het ander niet? Moet zoiets subjectiefs als smaak dan doorslaggevend zijn? Of is het juist een ouderlijke plicht om onze voortreffelijke smaak door te drukken?



Ik overhandigde mijn dochter een bon van mijn favoriete platenzaak. Ze probeerde een meewarige blik te onderdrukken, zo’n bon vraag ik normaal voor míjn verjaardag. Maar dit cadeau was echt niet enkel stiekem om mezelf op zo’n uitje mee te sturen, heus niet: de laatste keren dat ik vinyl ging shoppen, wilde zij graag mee om schijfjes in te slaan voor haar cd-speler (pubers zijn het eindeloze streamen zat, las ik onlangs, fysieke media raken weer helemaal in). 



Na afloop gingen we naar onze stamkroeg (ja, een gezamenlijke heb ik dus wél), om haar bonuscadeau in te wisselen: een ‘bitterballenbon’ (waar haar bonusmoeder, tevens mijn artistieke geliefde, deze kroeg tot in detail op nagetekend had). In hoeverre borrelgarnituur onder voortreffelijke smaak valt durf ik niet te zeggen, maar - nadat wij een periode muzikaal uit elkaar groeiden, zoals ongetwijfeld gezond zal zijn - komt mijn gepiercte dochter tegenwoordig met albums aanzetten die mij doen glunderen, al probeer ik dat vooral niet teveel te laten merken. Toen ze vroeg of ze een cola mocht, hoefde ik daar voor de verandering eens niet zo lang over na te denken.