De dagen na Lynch’ dood scrolde ik alle in memoria, rest in pieces en top-lijstjes van scènes hardnekkig voorbij, alsof het voetbalnieuws betrof of iets anders wat mij totaal niks zegt. Ik had geen zin om te rouwen. Ik had ook geen zin zijn werk gereduceerd te zien tot zogenaamde hoogtepunten of persoonlijke favorieten. Ik wilde een stukje schrijven over mijn diëtist, wat ik toen ook deed. Ik wilde mijn dagelijkse zaken kunnen blijven voortzetten (was opvouwen, toetsen nakijken, een appel schillen) met in het achterhoofd het gegeven dat dit wonderlijke genie met zijn zonderlinge dictie en zijn hartverwarmende hoofd zich ook ergens op deze planeet bevindt. Misschien schilt hij ook een appel, of vouwt hij de was. Waarschijnlijk kijkt hij geen toetsen na, maar je weet het nooit met die man. Wist.
Het is best knap, want zo groot is dat oeuvre niet, maar ik heb niet eens al zijn films gezien. Expres, want je kan ze maar één keer voor het eerst zien. En nou heb ik sommige van zijn werken dan weer heel vaak gezien, en kunnen die elke keer weer iets totaal nieuws brengen. En toch is zo’n eerste keer een ervaring om te koesteren. Ik denk bijvoorbeeld aan mijn kennismaking met Eraserhead. Ik rookte toen nog, maar alleen uit het raam. De beelden van de film zijn voor mij versmolten met die van de rustige straat waar ik toen aan woonde. Dat ik steeds wegkeek van het scherm om de rook uit te blazen van de ene die ik met de ander aanstak, maakte weinig uit. De film was toch zoveel groter dan dat scherm, het vulde het huis, van de fluitketel tot de radiator, en toen via het raam ook alle straten. De hele wereld werd Lynchiaans, wat ze natuurlijk altijd al was, maar nu zag ik het pas.
Het is een troostende gedachte, dat er nog een paar Lynch-films voor de eerste keer te zien zijn. Waarschijnlijk als ik dat restvoorraadje heb opgesnoept, kan ik beginnen met accepteren dat het daarbij blijven zal. Maar ook dan weiger ik terug te blikken. Tot het verleden zal Lynch nooit behoren, evenmin als dat voor Bowie kan, wiens dood ik nu al bijna tien jaar glashard ontken. Niet omdat hun werken zo ‘tijdloos’ zijn. Nee, gadverdamme. Die werken zijn slechts de (soms half-mislukte, maar nimmer oninteressante) producten van een creativiteit waar geen eindhalte bij te denken valt. Gelukkig zijn er altijd appels te schillen en is de was nooit uitgevouwd.