Eruit gestuurd

‘Heb je er nog iemand uitgestuurd vandaag?’
Ik weet niet wanneer het begon, maar zowat elke dag dat ik thuis kwam uit mijn werk stelde mijn dertienjarige dochter deze vraag, soms nog voordat ze mij begroet had. Aanvankelijk deed ze dit op een verlekkerde toon van hoopvolle nieuwsgierigheid, later steeds moedelozer, tot het verwerd tot een running gag waar geen antwoord meer op verwacht leek te worden. Hoe vaak ik haar ook uitlegde dat ik nu eenmaal hele rustige leerlingen heb, dat kinderen die zo gek zijn om filosofie te kiezen echte braveriken zijn, wist zij wel beter; geen enkele groep is zonder stoorzender en in haar ogen was ik dan ook een slappe leraar die geen orde op zaken durfde te stellen.

Ze hoefde niet te weten dat ze gelijk had, al zijn het niet de leerlingen die ik vreesde, maar het systeem. Want iemand eruit sturen was niet alleen de laatste trede van de gevreesde escalatieladder - voorafgegaan door nauwkeurig opbouwende verbale én non-verbale waarschuwingssignalen - maar tevens het begin van een complex proces waar vele actoren bij betrokken dienden te worden. Elke keer dat ik op het punt stond iemand het gat van de deur te wijzen, al was het maar om mijn dochter gelukkig te maken, dacht ik aan die vele stappen die elk schooljaar weer geüpdate werden en waarvan de laatste versie ergens in een mapje in een mapje op het intranet moest staan, en raakte ik te nerveus om voet bij stuk te houden.
‘Niet meer doen hè,’ hoorde ik mezelf dan zuchten, ‘anders ben je nog niet jarig.’

Deze week stond ik ingeroosterd voor de nachtmerrie aller lesuren: het stipuur. Dit houdt in dat een docent moet ‘oppassen’ op een brugklas, omdat een collega uitgevallen is. Aangezien mijn vak pas in het vierde jaar te kiezen valt, heb ik dan altijd onbekende leerlingen voor mijn neus zitten. Tenminste, als ze zitten. Ooit nam ik me voor van deze verrassingsles iets geweldigs te maken. Ik zou met die ukkies, nog zo puur en onbedorven, aan het filosoferen slaan zoals nooit eerder gebeurd was, en als ware bekeerlingen zouden ze dan natuurlijk allemaal later geen seconde na hoeven na te denken over het kiezen van dit droomvak en het opgroeien tot verrijkte en verlichte geesten. Maar in de praktijk bleek dat toch ietwat anders uit te pakken. De adolescenten die ik gewend ben dreigen nog wel eens in slaap te vallen, deze bruggers springen het liefst in het rond, pakken elkaars spullen af of krijgen opeens bloedneuzen. Tegenwoordig zeg ik maar dat ze ‘lekker iets voor zichzelf moeten doen’, met als voorwaarde dat ze op hun plek weten te blijven en geen andere geluiden verspreiden dan wat gefluister met hun buur. Kan ik mooi mijn volgende reguliere les voorbereiden, zo houd ik mezelf dan voor tegen beter weten in.

Het ‘iets voor jezelf doen’ in relatieve stilte blijkt immers al uitdagend genoeg. Zo hebben de kinderen laptops waar soms een geluid uit komt, als een hardhorende detective maak ik dan een ronde langs de tafels om de verdachte geluidsbronnen te lokaliseren. Deze week lukte het zowaar om de boosdoener aan te wijzen. Het was een meisje met vlechtjes, van het type dat vroeger langs de deur kwam voor kinderpostzegels. Ze zat een netflixserie te kijken, iets met eenhoorns. Ik vroeg of ze het geluid uit kon doen, of anders oortjes in. Ze knikte begrijpend, zonder haar blik van het scherm te wenden. Even later hoorde ik opnieuw geluiden uit haar laptop. Weer sprak ik haar aan en weer knikte ze begrijpend.
‘Ik blijf het niet zeggen hè,’ hoorde ik mezelf zeggen. Hoe ver op de escalatieladder zaten we inmiddels?

De derde keer zei ik dat ze kon vertrekken. Ze keek me met grote ogen aan.
‘Ik zal het geluid nu echt uitdoen,’ bibberde ze vol ongeloof.
‘Te laat,’ zei ik, ‘Je moet nu gaan.’
‘Maar meneer, dan moet u wel een uitstuurbriefje meegeven.’
Dat was waar ook, dat was ik bijna helemaal vergeten. Waar lagen die dingen?
Ik speurde alle hoeken van m’n bureau af. Dit was een moment om te zeggen ‘laat toch maar,’ maar nee, al kostte dit de rest van het stipuur, zij zou eruit gestuurd worden. Dat was ik aan mezelf verplicht, dat was ik aan m’n dochter verplicht.

‘Woooow,’ hoorde ik een jongetje zeggen, ‘Niet Mehmet of Beer wordt eruit gestuurd, maar Liv, dat is echt ziek.’
Toen Liv vertrokken was, was het even helemaal stil in het lokaal. Dat zal niet meer dan een minuut geduurd hebben, daarna werd het drukker dan ooit. Eigenlijk zou ik anderen nu ook moeten aanspreken, die hele escalatieladder met ze beklimmen en indien we tot de laatste trede kwamen ze ook eruit sturen; consequentheid was immers het állerbelangrijkste instrument voor een docent, hoevaak had ik dat wel niet gehoord, hoeveel nascholingen had ik daar wel niet over bijgewoond, maar ze bekeken het maar. Ik was wel klaar met deze dag, kon niet wachten om zo naar huis te gaan en m’n dochter het grote nieuws te vertellen.

Maar eerst moest ik nog de volgende stappen doornemen. Na een speurtocht door alle intranetmappen, terwijl het rumoer in het lokaal tot oorverdovende hoogten toenam, kwam ik het juiste document tegen. De ouders moesten gemaild, er diende een herstelgesprek plaats te vinden, daar moesten wij beiden dan weer een reflectieformulier over invullen, deze moesten worden ingescand, vervolgens diende een passende sanctie met mentor, teamleider en zorgcoördinator overeengestemd worden, en van dit alles diende een gedetailleerd verslag in de betreffende magisterrubrieken te worden gehangen. Maar eerst moest ik een e-mail sturen naar het lokaal waar de uitgestuurde leerling zich had moeten melden. Ik kreeg meteen reactie.
Wat doet dat arme kind hier? Ze is heel hard aan het huilen en kan niet uitleggen wat er gebeurd is. Dit is echt heel heftig om aan te zien.

De volgende pauze ging ik naar de docentenkamer voor wat op koffie moest lijken. Twee collega’s keken mij gefascineerd aan.
‘Is het echt waar?’ sprak een van hen. ‘Heb jij het allerbraafste meisje van school eruit gestuurd?’
‘Jij bent echt een meedogenloze docent,’ zei de ander. ‘Ik wist niet dat we die nog hadden rondlopen hier.’
Ik kon niet thuisbrengen of hun toon bewonderend of vol afschuw was, wellicht betrof het een mengeling van emoties.
‘Er kwam geluid uit haar laptop,’ stamelde ik verontschuldigend.
Wat dom klonk dat toch eigenlijk. Geluid uit een laptop, is dat nou een reden om iemand voor de rest van haar leven te traumatiseren? Hoe zouden haar ouders hiermee omgaan? Zouden ze advocaten kennen? Was dit nou wat ik de jeugd mee wilde geven?

‘Heb je er niet eens een filmpje van gemaakt?’ vroeg mijn dochter ontdaan, nadat ze bijgekomen was van haar kortstondige vreugdedans. Het was ook nooit goed.
En waar kwam toch eigenlijk haar obsessie met dat eruit sturen vandaan? Was het een stille wens om zelf wat strikter aangepakt te worden? Ik realiseerde me opeens dat wanneer ik haar zonder eten naar bed zou sturen, ik daar niet allemaal stappen voor hoefde op te volgen of formulieren in te vullen. Ik was aan niemand verantwoording schuldig behalve mezelf. Een wereld van mogelijkheden opende zich voor m’n ogen, het was lang geleden dat ik mij zó vrij had gevoeld.