Einzelgänger

Er was een tijd dat ik blije mensen eng vond, tegenwoordig vind ik ze vooral aandoenlijk. Aandoenlijk en ontroerend; hoe ouder ik word des te meer de meest onbenullige zaken waterlanders bij mij teweegbrengen, om horendol van te worden. Ooit was ik emotieloos, alleen dat ene stukje van dat ene nummer deed mij in janken uitbarsten, haast als op commando. Tegenwoordig krijgen de tranen geen kans meer om zich op te hopen, ik pink ze gedurende de dag weg. Zo subtiel mogelijk natuurlijk, ik wil niet dat mijn leerlingen ze zien. En juist zij zijn zo vaak de bron van mijn ontroering. 



Zoals Omar, de veel te grote jongen met de veel te luide stem, die niets liever wil dan op alles het antwoord laten weten. Hij doet altijd z’n best - op zijn manier, met grove grappen in z’n gebrekkige Nederlands - om een groepsgevoel te creëeren. Het zijn grappen waar ik eigenlijk wat van zou moeten zeggen, niet iedereen lijkt altijd te begrijpen hoe verbindend hij het bedoelt. En een groep zal mijn mentorgroep nooit worden, in de bovenbouw volgt iedereen weer andere lessen en het enige dat deze adolescenten gemeen hebben is dat ze zo gek waren om mijn vak te kiezen. 



Wel zijn er natuurlijk groepjes binnen de groep. En ook is er een leerling die buiten elk groepje valt, zoals doorgaans het geval is. Ik was vroeger die leerling, de einzelgänger. Dat vond ik prima, aan mezelf en mijn gedachten had ik meer dan genoeg, het idee om ook nog eens met anderen om te gaan leek me doodvermoeiend.

‘Het is toch heerlijk toeven in je eigen universum’, sprak ik eens in een mentorgesprek tegen Zoë, die daarop overvallen raakte door iets wat haar gezicht niet zo gewend leek: een glimlach.

Het lastige aan niet op willen vallen is dat het zo opvalt. Spot en hoon leer je wel te negeren, maar medelijden is een lastigere schijnwerper. Dus toen de schoolfotograaf maar bleef benadrukken dat Zoë wat dichter bij de rest moest staan, dat ze echt niet zo verlegen hoefde te zijn, dat het er anders toch raar uitzag, voelde ik haar worsteling. Schoolfotografen vond ik ooit de ultiem enge mensen, met hun professionele blijheid, maar nu zag ik iemand die ook maar worstelde met zijn opdracht. Gelukkig was daar Omar om alle worstelingen te doorbreken.

‘Mag ik mijn handen op jouw schouders leggen?’ hoorde ik hem zeggen.

Met een stem stiller dan een briesje zei Zoë dat het goed was. In de flits die volgde veegde ik mijn tranen weg.

Toen ik de foto terugzag zag ik dat ze dezelfde jas aanhadden.